Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0053

Fondée Compensation Irrecevable KC - Merksplas Commission des plaintes Mesure provisoire Pas de décision du directeur
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID

De klachtencommissie vindt de motivering van de eerste maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte, die werd opgelegd op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet), gebrekkig in zoverre ze voorafgegaan wordt door de zinsnede “gelet op het gevaar voor de orde of de veiligheid”. Deze zinsnede verwijst immers naar artikel 145, §1, tweede lid Basiswet.

De tweede maatregel, de uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten met een welbepaalde medegedetineerde, werd opgelegd, zowel als ‘gevolg’ van de eerste maatregel, als apart als een afzonderlijke maatregel op grond van het gevaar voor de orde of de veiligheid, maar dan zonder motivering. Op basis van de rechtsgrond van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet) kan de directie enkel overgaan tot het opleggen van de in artikel 112, §1, 4° en 5° Basiswet bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen, namelijk de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (4°) of de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn (5°). De maatregel die de directie hier oplegde valt onder artikel 112, §1, 2° Basiswet, zodat de directie ze enkel kon opleggen indien ze het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet) had aangekruist én gemotiveerd. Deze tweede rechtsgrond werd wel aangekruist, doch de motivering werd blanco gelaten.

Omwille van bovenstaande onnauwkeurigheden doorstaat de voorlopige maatregel de toets van artikel 145, §1 j° artikel 8 Basiswet niet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een pot tabak.

Klager beklaagt zich over een “tucht” van 18 april 2024. Klager beklaagt zich over het RAD van 18 april 2024. Een RAD (ten gevolge waarvan nadien eventueel een tuchtbeslissing wordt genomen) betreft op zichzelf géén beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.