KC21/22-0004
Fondée
Compensation
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - CAMERABEELDEN - KWALIFICATIE INBREUK - SANCTIE
Zelfs indien er camerabeelden voorhanden zouden (kunnen) zijn is de directie in het kader van een tuchtprocedure niet automatisch gehouden tot het bekijken ervan. In principe mag de directie voor het bewijs van bepaalde feiten steunen op een RAD, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd waardoor er twijfels zouden rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RAD. De directeur moet deze tegenindicaties dan onderzoeken en beoordelen (RvS 19 november 2010, nr. 209.026). In dergelijk geval kan het bekijken van camerabeelden noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting van zorgvuldige feitenvinding.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals beschreven in het RAD van 29 december 2021, alsook de camerabeelden zoals ze ter tuchtrechtelijke hoorzitting werden getoond. De Klachtencommissie stelt vast dat ten gevolge van het bekijken van de camerabeelden hetgeen in het RAD omschreven werd als “vechtpartij” (waarbij gesteld werd: “(medegedetineerde) heeft hierbij enkele vuistslagen geïncasseerd”) door de directie afgezwakt werd tot “er wordt wat geduwd en getrokken, zonder dat er sprake is van een echte aanval”. In die zin heeft het bekijken van de camerabeelden volgens de Klachtencommissie in casu in het voordeel van klager gespeeld. De Klachtencommissie is van oordeel dat de directie in alle redelijkheid kon oordelen dat de in het RAD omschreven feiten die vervolgens op de beelden geverifieerd konden worden, gekwalificeerd konden worden als opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° van de Basiswet). Hoewel de maximumsanctie voor dergelijke inbreuk van de eerste categorie 30 dagen ATV is (artikel 132, 3° van de Basiswet) en de directie in casu ‘slechts’ 10 dagen ATV oplegde, acht de Klachtencommissie deze sanctie onredelijk. Artikel 143 van de Basiswet voorziet immers dat bij de keuze van de aard en de omvang van de tuchtsanctie rekening moet worden gehouden met de ernst van de inbreuk, met de omstandigheden waarin zij plaatsvond, evenals verzachtende omstandigheden. Gelet op het feit dat klager amper een week in de gevangenis aanwezig was, is de Klachtencommissie van oordeel dat een voorwaardelijke sanctie meer aangewezen was. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden kent de Klachtencommissie twee extra videobelmomenten toe aan klager.
Zelfs indien er camerabeelden voorhanden zouden (kunnen) zijn is de directie in het kader van een tuchtprocedure niet automatisch gehouden tot het bekijken ervan. In principe mag de directie voor het bewijs van bepaalde feiten steunen op een RAD, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd waardoor er twijfels zouden rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RAD. De directeur moet deze tegenindicaties dan onderzoeken en beoordelen (RvS 19 november 2010, nr. 209.026). In dergelijk geval kan het bekijken van camerabeelden noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting van zorgvuldige feitenvinding.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals beschreven in het RAD van 29 december 2021, alsook de camerabeelden zoals ze ter tuchtrechtelijke hoorzitting werden getoond. De Klachtencommissie stelt vast dat ten gevolge van het bekijken van de camerabeelden hetgeen in het RAD omschreven werd als “vechtpartij” (waarbij gesteld werd: “(medegedetineerde) heeft hierbij enkele vuistslagen geïncasseerd”) door de directie afgezwakt werd tot “er wordt wat geduwd en getrokken, zonder dat er sprake is van een echte aanval”. In die zin heeft het bekijken van de camerabeelden volgens de Klachtencommissie in casu in het voordeel van klager gespeeld. De Klachtencommissie is van oordeel dat de directie in alle redelijkheid kon oordelen dat de in het RAD omschreven feiten die vervolgens op de beelden geverifieerd konden worden, gekwalificeerd konden worden als opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° van de Basiswet). Hoewel de maximumsanctie voor dergelijke inbreuk van de eerste categorie 30 dagen ATV is (artikel 132, 3° van de Basiswet) en de directie in casu ‘slechts’ 10 dagen ATV oplegde, acht de Klachtencommissie deze sanctie onredelijk. Artikel 143 van de Basiswet voorziet immers dat bij de keuze van de aard en de omvang van de tuchtsanctie rekening moet worden gehouden met de ernst van de inbreuk, met de omstandigheden waarin zij plaatsvond, evenals verzachtende omstandigheden. Gelet op het feit dat klager amper een week in de gevangenis aanwezig was, is de Klachtencommissie van oordeel dat een voorwaardelijke sanctie meer aangewezen was. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden kent de Klachtencommissie twee extra videobelmomenten toe aan klager.