KC05/25-0032
Non fondée
Irrecevable
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Pas de décision du directeur
BEZOEK
De klacht gaat over
- de beslissing tot weigering van binnenhuisbezoek tussen klaagster en haar medegedetineerde echtgenoot, en
- de beslissing tot weigering van intiem (ongestoord) bezoek tussen klaagster en haar medegedetineerde echtgenoot
van de directie van de gevangenis van Brugge.
- Wat betreft de klacht over de weigering van het binnenhuisbezoek
Wie binnenhuisbezoek wenst met zijn gedetineerde partner dient een duurzame relatie aan te tonen van drie maanden (wanneer dit een relatie betreft die werd begonnen na de detentie).
Klaagster heeft op 29 januari 2025 een aanvraag tot binnenhuisbezoek ingediend. De directie heeft dit geweigerd. Ze motiveerde haar beslissing van 31 januari 2025 door te stellen dat de partner van klaagster op 17 december 2024 nog binnenhuisbezoek aanvroeg met een andere vrouwelijke medegedetineerde. Uit de motivering van de beslissing blijkt dat klaagster een zekere tijd niet meer in de gevangenis verbleef. Er zijn geen bewijzen dat klaagster en haar partner tijdens de ontvluchting contact hadden. Sinds ze terug is (21 januari), is zij weer de vaste partner. De directie wijst op een voorgeschiedenis van het voortdurend wisselen van partner, en meent dat het argument van een huwelijk niet volstaat. Daarenboven heeft de partner van klaagster verklaard dat de scheiding al rond was. Volgens de directie moeten klaagster en haar partner een drie maanden duurzame relatie aan kunnen tonen, maar deze bewijzen ontbreken op het moment van de aanvraag.
Aangezien klaagster pas sinds 21 januari 2025 terug in de gevangenis verblijft, het contact tussen klaagster en haar partner tijdens haar ontvluchting niet is aangetoond en klaagster sinds dat moment pas opnieuw de vaste partner is, heeft de directie deze datum genomen als startdatum van de relatie. Uit het dossier blijkt dat de partner van klaagster bijvoorbeeld op 17 december 2024 nog binnenhuisbezoek aanvroeg met een andere medegedetineerde, wat het standpunt van de directie versterkt. Dat de directie 21 januari 2025 als startdatum nam voor hun relatie en oordeelde dat het binnenhuisbezoek op het moment van de aanvraag nog niet mogelijk was omdat de drie maanden duurzame relatie nog niet was aangetoond, acht de klachtencommissie op basis van al deze informatie niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
De klachtencommissie wijst erop dat deze beslissing geen definitieve weigering impliceert. Drie maanden na een weigeringsbeslissing kan immers een nieuwe aanvraag tot binnenhuisbezoek worden ingediend.
De eerste klacht is aldus niet gegrond.
- Wat betreft de klacht over het weigeren van het ongestoord bezoek
De klacht is daarnaast gericht tegen de beslissing van de directie tot weigering van de aanvraag tot intiem bezoek tussen klaagster en haar echtgenoot. De directie schrijft in haar verweer dat zij geen aanvraag bezoek zonder toezicht heeft ontvangen, en er aldus geen beslissing tot weigering werd genomen. Klaagster geeft geen verdere aanknopingspunten in haar klacht, zoals meer details over de aanvraag en weigering of een datum hiervan. Volgens de directie werd er überhaupt geen aanvraag gedaan noch werd er een beslissing genomen.
De klachtencommissie meent dan ook dat de tweede klacht niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan een beslissing door de directeur.
De klacht gaat over
- de beslissing tot weigering van binnenhuisbezoek tussen klaagster en haar medegedetineerde echtgenoot, en
- de beslissing tot weigering van intiem (ongestoord) bezoek tussen klaagster en haar medegedetineerde echtgenoot
van de directie van de gevangenis van Brugge.
- Wat betreft de klacht over de weigering van het binnenhuisbezoek
Wie binnenhuisbezoek wenst met zijn gedetineerde partner dient een duurzame relatie aan te tonen van drie maanden (wanneer dit een relatie betreft die werd begonnen na de detentie).
Klaagster heeft op 29 januari 2025 een aanvraag tot binnenhuisbezoek ingediend. De directie heeft dit geweigerd. Ze motiveerde haar beslissing van 31 januari 2025 door te stellen dat de partner van klaagster op 17 december 2024 nog binnenhuisbezoek aanvroeg met een andere vrouwelijke medegedetineerde. Uit de motivering van de beslissing blijkt dat klaagster een zekere tijd niet meer in de gevangenis verbleef. Er zijn geen bewijzen dat klaagster en haar partner tijdens de ontvluchting contact hadden. Sinds ze terug is (21 januari), is zij weer de vaste partner. De directie wijst op een voorgeschiedenis van het voortdurend wisselen van partner, en meent dat het argument van een huwelijk niet volstaat. Daarenboven heeft de partner van klaagster verklaard dat de scheiding al rond was. Volgens de directie moeten klaagster en haar partner een drie maanden duurzame relatie aan kunnen tonen, maar deze bewijzen ontbreken op het moment van de aanvraag.
Aangezien klaagster pas sinds 21 januari 2025 terug in de gevangenis verblijft, het contact tussen klaagster en haar partner tijdens haar ontvluchting niet is aangetoond en klaagster sinds dat moment pas opnieuw de vaste partner is, heeft de directie deze datum genomen als startdatum van de relatie. Uit het dossier blijkt dat de partner van klaagster bijvoorbeeld op 17 december 2024 nog binnenhuisbezoek aanvroeg met een andere medegedetineerde, wat het standpunt van de directie versterkt. Dat de directie 21 januari 2025 als startdatum nam voor hun relatie en oordeelde dat het binnenhuisbezoek op het moment van de aanvraag nog niet mogelijk was omdat de drie maanden duurzame relatie nog niet was aangetoond, acht de klachtencommissie op basis van al deze informatie niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
De klachtencommissie wijst erop dat deze beslissing geen definitieve weigering impliceert. Drie maanden na een weigeringsbeslissing kan immers een nieuwe aanvraag tot binnenhuisbezoek worden ingediend.
De eerste klacht is aldus niet gegrond.
- Wat betreft de klacht over het weigeren van het ongestoord bezoek
De klacht is daarnaast gericht tegen de beslissing van de directie tot weigering van de aanvraag tot intiem bezoek tussen klaagster en haar echtgenoot. De directie schrijft in haar verweer dat zij geen aanvraag bezoek zonder toezicht heeft ontvangen, en er aldus geen beslissing tot weigering werd genomen. Klaagster geeft geen verdere aanknopingspunten in haar klacht, zoals meer details over de aanvraag en weigering of een datum hiervan. Volgens de directie werd er überhaupt geen aanvraag gedaan noch werd er een beslissing genomen.
De klachtencommissie meent dan ook dat de tweede klacht niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan een beslissing door de directeur.