Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0360

Fondée KC - Brugge Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT – SUBSIDIARITEIT – ZORGVULDIGHEIDSPLICHT

Klager diende klacht in tegen de tuchtbeslissing waarbij hem een tuchtsanctie van vijf dagen glasbezoek werd opgelegd wegens één tuchtinbreuk van tweede categorie (het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel). Klager werkte al enkele maanden als fatik in de bezoekersruimte. De tuchtsanctie werd opgelegd na een dispuut tussen de op het moment van de feiten toezichthoudende beambte en klager.

De klachtencommissie merkt vooreerst op dat de directie niet aan zorgvuldige feitenvinding heeft gedaan. Zij wijst erop dat klager al op het moment van de feiten had gesignaleerd aan de beambte dat de handelingen die hij stelde de voorbije maanden werden toegestaan door de beambte(n) die normaal gezien toezicht houdt/houden in de bezoekersruimte. Uit het tuchtdossier kan de klachtencommissie niet afleiden of deze beambten hierover werden bevraagd. Hoewel als tuchtinbreuk louter werd weerhouden het negeren van het bevel van de vervangende beambte, acht de klachtencommissie deze informatie onontbeerlijk voor een gedegen beoordeling van de feiten.

Bovendien acht de klachtencommissie de tuchtsanctie in ieder geval ook in strijd met het tuchtrechtelijk subsidiariteitsbeginsel. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat in dit dossier de handhaving van de orde en veiligheid gebiedend rechtvaardigden dat een tuchtsanctie moest worden opgelegd en er geen enkel ander middel kon gebruikt worden om dit te verzekeren. Klager verblijft ook op de DVA. Gedetineerden die op de DVA verblijven, voeren taken uit als een vorm van zelfredzaamheidstraining en dit onder andere om verantwoordelijkheid te leren opnemen. Klager had ook een blanco tuchtregister. Het afhandelen van het RAD kon in dit dossier in het licht van het profiel van klager op een andere manier gebeurd zijn.

De klacht is ontvankelijk en gegrond.