Ga verder naar de inhoud

BC/25-0011

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - SUBSIDIARITEIT

De toekenning aan de klachtencommissie van de bevoegdheid om tuchtbeslissingen te toetsen zoals bepaald in artikel 158, § 2 van de Basiswet brengt mee dat het de klachten- of beroepscommissie als bestuursrechtelijke detentierechter toekomt na te gaan of de tuchtbeslissing in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de directeur in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, geëerbiedigd zijn. Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de directie behoort, valt ook onder de controle van de klachtencommissie, die zich evenwel niet mag begeven op het terrein van de opportuniteit.
Artikel 122, tweede lid van de Basiswet schrijft voor dat het beroep op de tuchtprocedure beperkt moet blijven tot situaties waarin de handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting dit gebiedend rechtvaardigt en er geen enkel ander middel kan worden gebruikt om dit te verzekeren.
Bij de beoordeling van de vraag of de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen, beschikt de directeur over een ruime discretionaire bevoegdheid. Voor zover de beslissing van de directeur niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat, komt het de klachten- of beroepscommissie niet toe haar eigen beoordeling van de noodzaak van tuchtrechtelijke handhaving in de plaats te stellen van de beoordeling van de directeur, ook al zou de klachten- of beroepscommissie van oordeel zijn dat een informele conflictafhandeling meer opportuun was.
Het inrichtingshoofd onderstreept terecht dat de klager nadrukkelijk en ostentatief de aanmaning van de beambte negeerde. Het gaat bijgevolg niet over de redelijkheid van tuchtrechtelijke vervolging voor feiten waarvan het voor de klager eventueel niet duidelijk was of zij wel een tuchtvergrijp inhielden, maar over de redelijkheid van tuchtrechtelijke vervolging voor het negeren van de aanmaningen van de toezichthoudende beambte die afbreuk deden aan het gezag van de beambte.
Anders dan de klachtencommissie komt de beroepscommissie tot het besluit dat het beroep op de tuchtprocedure niet onredelijk was. De opgelegde bijzondere tuchtstraf is wettig en niet onredelijk of onbillijk. De klacht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.

Opmerking: de beslissing vermeldt onder 'Procedure' bij vergissing dat de klager (in plaats van het inrichtingshoofd) beroep instelde.