KC04/23-0070
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
TUCHT - ARBEID
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gesteund op het RAD, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. De klachtencommissie is van mening dat het bewezen is dat er door klager beledigingen geuit zijn naar de beambte en de feiten alzo gekwalificeerd konden worden, maar niet als een opzettelijke aantasting van de orde. Het is voor de klachtencommissie niet duidelijk waar de betreffende discussie heeft plaatsgevonden, nochtans een essentieel gegeven voor het verstoren van de orde. In ieder geval klopt de motivering dat de verbale discussie plaatsvond op “een plaats waar verschillende gedetineerden aanwezig waren” niet. Er kan niet serieus voorgehouden worden dat klager de orde (zijnde het menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis) hiermee opzettelijk verstoord heeft. De klachtencommissie ziet bovendien een probleem met betrekking tot de redelijkheid en de billijkheid van de bestreden tuchtbeslissing. Er werden twee tuchtinbreuken weerhouden. Gezien het feit dat de tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde verkeerdelijk weerhouden werd, heeft de directie ook de omvang van de op te leggen tuchtsanctie verkeerd beoordeeld. De directie kon dan ook niet de tuchtsanctie in redelijkheid bepalen op 7 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte. De klachtencommissie beschikt over de bevoegdheid, wanneer een klacht tegen een tuchtbeslissing gegrond is bevonden, te bepalen binnen welke redelijke grens een tuchtsanctie behouden blijft. Rekening houdend met de ernst van het vergrijp en de omstandigheden waarin zij plaatsvond was een berisping aan klager een toereikende bestraffing.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is dan ook gedeeltelijk gegrond.
De tweede klacht is gericht op het verliezen van werk volgend op de tuchtprocedure. De directie stelt dat het verlies van werk louter het gevolg is van de ATV van klager en dit hem niet schriftelijk medegedeeld moest worden. De klachtencommissie meent dat de beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat ook in het geval wanneer het werk niet meer beschikbaar is (door afwezigheid) de gedetineerde schriftelijk wordt geïnformeerd. Aangezien dit niet gebeurd is, beoordeelt de klachtencommissie deze klacht als gegrond. Klager dient hersteld te worden in zijn oorspronkelijke functie.
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gesteund op het RAD, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. De klachtencommissie is van mening dat het bewezen is dat er door klager beledigingen geuit zijn naar de beambte en de feiten alzo gekwalificeerd konden worden, maar niet als een opzettelijke aantasting van de orde. Het is voor de klachtencommissie niet duidelijk waar de betreffende discussie heeft plaatsgevonden, nochtans een essentieel gegeven voor het verstoren van de orde. In ieder geval klopt de motivering dat de verbale discussie plaatsvond op “een plaats waar verschillende gedetineerden aanwezig waren” niet. Er kan niet serieus voorgehouden worden dat klager de orde (zijnde het menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis) hiermee opzettelijk verstoord heeft. De klachtencommissie ziet bovendien een probleem met betrekking tot de redelijkheid en de billijkheid van de bestreden tuchtbeslissing. Er werden twee tuchtinbreuken weerhouden. Gezien het feit dat de tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde verkeerdelijk weerhouden werd, heeft de directie ook de omvang van de op te leggen tuchtsanctie verkeerd beoordeeld. De directie kon dan ook niet de tuchtsanctie in redelijkheid bepalen op 7 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte. De klachtencommissie beschikt over de bevoegdheid, wanneer een klacht tegen een tuchtbeslissing gegrond is bevonden, te bepalen binnen welke redelijke grens een tuchtsanctie behouden blijft. Rekening houdend met de ernst van het vergrijp en de omstandigheden waarin zij plaatsvond was een berisping aan klager een toereikende bestraffing.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is dan ook gedeeltelijk gegrond.
De tweede klacht is gericht op het verliezen van werk volgend op de tuchtprocedure. De directie stelt dat het verlies van werk louter het gevolg is van de ATV van klager en dit hem niet schriftelijk medegedeeld moest worden. De klachtencommissie meent dat de beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat ook in het geval wanneer het werk niet meer beschikbaar is (door afwezigheid) de gedetineerde schriftelijk wordt geïnformeerd. Aangezien dit niet gebeurd is, beoordeelt de klachtencommissie deze klacht als gegrond. Klager dient hersteld te worden in zijn oorspronkelijke functie.