BC/25-0088
Fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
UITVOERING - INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - STRIKTE BEWEGING
De beroepscommissie is van oordeel dat uit het IBVR voortvloeit dat de lokale gevangenisdirectie onmiskenbaar een aantal beslissingen moet nemen ten aanzien van klager, die kaderen binnen haar bevoegdheid (al dan niet na expliciete delegatie door de directeur-generaal in de beslissing over het IBVR) .
Op de directie rust een verantwoordelijkheid om het IBVR te concretiseren en te waken over het verloop ervan in de gevangenis, die in concreto het best geplaatst is om bepaalde concrete beslissingen te nemen binnen het kader van het algemene door de directeur-generaal opgelegde regime.
Klager behoudt immers bepaalde grondrechten tijdens zijn regime en het is aan de directeur om deze te waarborgen, in de mate dat de uitoefening ervan niet onverenigbaar is met het IBVR.
Klager kan worden gevolgd dat in de beslissing over het IBVR een zekere beoordelingsruimte wordt gelaten voor de lokale directie, die inderdaad niet door de directeur-generaal werd opgelegd om de ‘strikte beweging’ door te voeren ten einde de contacten met medegedetineerden maximaal te beperken.
De klachtencommissie verklaarde de klacht dan ook terecht ontvankelijk.
Het inrichtingshoofd kan evenwel worden gevolgd in de mate dat zij in haar beroepschrift uiteenzet dat het voor klager niet van belang kan zijn of hij zijn verplaatsingen nu uitvoert onder begeleiding van twee beambten dan wel via een strikte beweging, voor zover echter de uitoefening van zijn grondrechten zoals gewaarborgd in het IBVR gevrijwaard blijft.
In tegenstelling tot wat de klachtencommissie oordeelde, is de maatregel van strikte beweging op zichzelf niet disproportioneel. Het is daarentegen om zijn bezoek en consultaties met advocaten en medische dienst toch nog te verzekeren, dat de directie de procedure ‘strikte beweging’ invoerde.
De klachtencommissie kon dan ook niet op algemene wijze de maatregel van ‘strikte beweging’ op zichzelf vernietigen, nu deze juist noodzakelijk kan zijn om zijn grondrechten te vrijwaren zoals gewaarborgd in het IBVR.
De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie wel in de mate dat daarin werd vastgesteld dat klager ten onrechte zijn recht op driewekelijkse toegang tot de grote individuele wandeling werd ontnomen.
De beroepscommissie is van oordeel dat uit het IBVR voortvloeit dat de lokale gevangenisdirectie onmiskenbaar een aantal beslissingen moet nemen ten aanzien van klager, die kaderen binnen haar bevoegdheid (al dan niet na expliciete delegatie door de directeur-generaal in de beslissing over het IBVR) .
Op de directie rust een verantwoordelijkheid om het IBVR te concretiseren en te waken over het verloop ervan in de gevangenis, die in concreto het best geplaatst is om bepaalde concrete beslissingen te nemen binnen het kader van het algemene door de directeur-generaal opgelegde regime.
Klager behoudt immers bepaalde grondrechten tijdens zijn regime en het is aan de directeur om deze te waarborgen, in de mate dat de uitoefening ervan niet onverenigbaar is met het IBVR.
Klager kan worden gevolgd dat in de beslissing over het IBVR een zekere beoordelingsruimte wordt gelaten voor de lokale directie, die inderdaad niet door de directeur-generaal werd opgelegd om de ‘strikte beweging’ door te voeren ten einde de contacten met medegedetineerden maximaal te beperken.
De klachtencommissie verklaarde de klacht dan ook terecht ontvankelijk.
Het inrichtingshoofd kan evenwel worden gevolgd in de mate dat zij in haar beroepschrift uiteenzet dat het voor klager niet van belang kan zijn of hij zijn verplaatsingen nu uitvoert onder begeleiding van twee beambten dan wel via een strikte beweging, voor zover echter de uitoefening van zijn grondrechten zoals gewaarborgd in het IBVR gevrijwaard blijft.
In tegenstelling tot wat de klachtencommissie oordeelde, is de maatregel van strikte beweging op zichzelf niet disproportioneel. Het is daarentegen om zijn bezoek en consultaties met advocaten en medische dienst toch nog te verzekeren, dat de directie de procedure ‘strikte beweging’ invoerde.
De klachtencommissie kon dan ook niet op algemene wijze de maatregel van ‘strikte beweging’ op zichzelf vernietigen, nu deze juist noodzakelijk kan zijn om zijn grondrechten te vrijwaren zoals gewaarborgd in het IBVR.
De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie wel in de mate dat daarin werd vastgesteld dat klager ten onrechte zijn recht op driewekelijkse toegang tot de grote individuele wandeling werd ontnomen.