ONTVANKELIJKHEID - PREJUDICIELE VRAAG GRONDWETTELIJK HOF
In het arrest nr. 262.903 van 3 april 2025 oordeelde de Raad van State op cassatieberoep tegen een beslissing van de Franstalige beroepscommissie van 2 februari 2024 (CA/23-0283) dat tegen de wijze van uitvoering van een beslissing van de directeur geen ontvankelijk beklag kan worden ingesteld. De wijze van uitvoering van een beslissing kan wel voor de gewone rechter worden aangevochten.
De vraag rijst of deze interpretatie van artikel 148 van de basiswet geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt doordat gedetineerden, al naargelang hun klacht is gericht tegen een beslissing dan wel tegen de uitvoering van een beslissing, al dan niet beschikken over het rechtsmiddel beklag.
Vooraleer de gegrondheid van het beroep van het inrichtingshoofd te beoordelen, stelt de Nederlandstalige beroepscommissie ambtshalve de volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof:
“Schendt artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, in de interpretatie dat alleen beklag kan worden gedaan over de beslissing als zodanig die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde genomen werd en niet over de wijze van uitvoering van die beslissing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre hierdoor gedetineerden die aanvoeren dat de uitvoering van de beslissing in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van in een België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht – in tegenstelling tot gedetineerden die aanvoeren dat de beslissing als zodanig in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht – geen toegang hebben tot de beklagprocedure, hoewel voor beide categorieën van gedetineerden een zelfde noodzaak van rechtsbescherming bestaat door middel van een contradictoire procedure, die tegemoetkomt aan de eisen van laagdrempeligheid, snelheid en eenvoud, voor een onafhankelijke bestuursrechtelijke detentierechter die vertrouwd is met het penitentiair milieu en de penitentiaire praktijk?"
In het arrest nr. 262.903 van 3 april 2025 oordeelde de Raad van State op cassatieberoep tegen een beslissing van de Franstalige beroepscommissie van 2 februari 2024 (CA/23-0283) dat tegen de wijze van uitvoering van een beslissing van de directeur geen ontvankelijk beklag kan worden ingesteld. De wijze van uitvoering van een beslissing kan wel voor de gewone rechter worden aangevochten.
De vraag rijst of deze interpretatie van artikel 148 van de basiswet geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt doordat gedetineerden, al naargelang hun klacht is gericht tegen een beslissing dan wel tegen de uitvoering van een beslissing, al dan niet beschikken over het rechtsmiddel beklag.
Vooraleer de gegrondheid van het beroep van het inrichtingshoofd te beoordelen, stelt de Nederlandstalige beroepscommissie ambtshalve de volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof:
“Schendt artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, in de interpretatie dat alleen beklag kan worden gedaan over de beslissing als zodanig die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde genomen werd en niet over de wijze van uitvoering van die beslissing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre hierdoor gedetineerden die aanvoeren dat de uitvoering van de beslissing in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van in een België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht – in tegenstelling tot gedetineerden die aanvoeren dat de beslissing als zodanig in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht – geen toegang hebben tot de beklagprocedure, hoewel voor beide categorieën van gedetineerden een zelfde noodzaak van rechtsbescherming bestaat door middel van een contradictoire procedure, die tegemoetkomt aan de eisen van laagdrempeligheid, snelheid en eenvoud, voor een onafhankelijke bestuursrechtelijke detentierechter die vertrouwd is met het penitentiair milieu en de penitentiaire praktijk?"