Ga verder naar de inhoud

BC/24-0378

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - RELIGIE - KLEDIJ

De beroepscommissie stelt vooreerst vast dat klager in zijn initiële klacht geenszins heeft aangegeven dat hij het oorspronkelijke bevel van het personeelslid of de navolgende tuchtbeslissing ervaarde als een ongerechtvaardigde inperking van zijn recht op godsdienst of levensbeschouwing. (...)
Het inrichtingshoofd kan dan ook worden gevolgd wanneer zij in haar beroepschrift in hoofdorde aanvoert dat de klachtencommissie voorbijgaat aan het eigenlijke feitenrelaas, waarin het louter draaide omtrent het al dan niet opvolgen van bevelen van het personeel.

Zelfs indien zou worden aangenomen dat klager door het bevel verhinderd werd om zijn geloof te belijden en aldus moet worden onderzocht of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 9, lid 2 van het EVRM, stelt de beroepscommissie vervolgens vast dat de klachtencommissie deze toetsing niet ter dege uitvoerde.
Hoewel de klachtencommissie ook ambsthalve toeziet op de schending van grondrechten van gedetineerden, zoals godsdienstvrijheid, gaat zij eraan voorbij dat aanvaard wordt dat hoofddeksels ad hoc gecontroleerd worden, voor zover dit geen tergend of structureel karakter aanneemt.
De klachtencommissie meent evenwel ‘dat er geen legitiem doel is en dat de beperking niet proportioneel is; ook al was er sprake van een veiligheidsargument,” omdat “de directie aan klager ad hoc (kan) vragen om zijn haar te controleren alvorens hij, bijvoorbeeld, zijn verblijfsruimte verlaat.” De beroepscommissie is van oordeel dat deze overweging van de klachtencommissie intern tegenstrijdig is en er op neerkomt dat de bevelen van personeel om een religieus hoofddeksel af te nemen voor een veiligheidscontrole, per definitie in strijd zijn met het recht op geloofsvrijheid.

De redenering van de klachtencommmissie dat het recht op vrijheid van godsdienst impliceert dat het klager niet bevolen kon worden zijn religieus hoofddeksel af te nemen in de concrete omstandigheden, kan niet worden bijgetreden.
Het inrichtingshoofd verwijst daarentegen terecht bijkomend naar artikel 43 §1 van de basiswet aangaande het recht om de eigen (al dan niet religieuze) kledij te dragen, “mits deze voldoen aan de normen die door een gedwongen samenleven met anderen gesteld worden op het vlak van de hygiëne, de welvoeglijkheid, de orde of de veiligheid.”