Ga verder naar de inhoud

BC/22-0142

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - CAMERABEELDEN

De directeur maakte toepassing van artikel 143 §3 § 2 van de Basiswet, op grond waarvan bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken, de verschillende inbreuken worden bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Aangezien beide inbreuken even zwaar kunnen bestraft worden en klager de eerste inbreuk inzake drugsbezit erkent, maakt het wat betreft de straftoemeting op het eerste gezicht niet uit welke kwalificatie uiteindelijk werd weerhouden. Evenwel is het voor klager van principieel belang dat hij niet ook wordt beschuldigd van de aantasting van de fysieke integriteit èn had de directie een mildere sanctie moeten opleggen wanneer zij geen rekening had gehouden met deze tweede inbreuk.
Wat betreft deze tweede inbreuk met betrekking tot het vermeende handgemeen op de wandeling, blijkt uit de motivering van de tuchtbeslissing dat de directie zich heeft gebaseerd op de camerabeelden. Hoewel zij dit a posteriori in haar verweer voor de klachtencommissie ontkent, als zou zij deze slechts op verzoek van klager hebben bekeken en zijn intentie niet uit de beelden kunnen blijken, blijkt uit het verslag van de tuchtzitting dat de directie de beelden wel reeds had bekeken voor het aanvatten van de tuchtzitting en meende zij hier wel degelijk een kwaadwillige intentie uit te kunnen afleiden. De directeur had de camerabeelden bijgevolg aan tegenspraak moeten onderwerpen. De rechten van verdediging van klager zijn dan ook geschonden, aangezien de gedetineerde moet worden gehoord in zijn middelen van verdediging over alle informatie die de directeur zich heeft laten bezorgen.
Door de voorliggende tuchtsanctie van 21 dagen te matigen tot 10 dagen, rekening houdend met het vaststaan van de andere tuchtinbreuk inzake drugsbezit, overschreed de klachtencommissie haar controlebevoegdheid niet.