FOUILLE LICHAAM- BEZOEK - MOTIVERING
Hoewel de beslissing tot fouillering op het lichaam gewag maakt van een “plastiekrestanten van kleine verpakkingen waar mogelijk drugs in hebben gezeten”, wordt deze uiterst summiere motivering verder niet ondersteund door enige uitgebreidere observatienota of rapport aan de directeur, waaruit zou blijken dat geïntimeerde iets trachtte te verbergen onder zijn kledij.
De directie gaf in haar verweer voor de klachtencommissie in die zin zelf aan: “Na nazicht kan de directie geen enkel rapport vinden dat ten laste van de man werd opgesteld waarin hij beschuldigd wordt van drugsbezit; ook over de vernoemde plastiekjes, is niets te traceren.” De zinsnede uit de motivering “ernstig vermoeden van bezit van verboden substantie/GSM in de verblijfsruimte” voegt verder niets toe, aangezien dit slechts een type zin uitmaakt.
De redenen die aanleiding gaven tot dit vermoeden blijken verder niet uit de stukken van het administratief dossier.
De situatie van ongestoord bezoek vormt op zich vanzelfsprekend geen individuele aanwijzing die een fouillering op het lichaam zou rechtvaardigen. Bijgevolg is er aldus geen sprake van individuele aanwijzingen die toelaten om te oordelen dat het onderzoek van de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
Hoewel de beslissing tot fouillering op het lichaam gewag maakt van een “plastiekrestanten van kleine verpakkingen waar mogelijk drugs in hebben gezeten”, wordt deze uiterst summiere motivering verder niet ondersteund door enige uitgebreidere observatienota of rapport aan de directeur, waaruit zou blijken dat geïntimeerde iets trachtte te verbergen onder zijn kledij.
De directie gaf in haar verweer voor de klachtencommissie in die zin zelf aan: “Na nazicht kan de directie geen enkel rapport vinden dat ten laste van de man werd opgesteld waarin hij beschuldigd wordt van drugsbezit; ook over de vernoemde plastiekjes, is niets te traceren.” De zinsnede uit de motivering “ernstig vermoeden van bezit van verboden substantie/GSM in de verblijfsruimte” voegt verder niets toe, aangezien dit slechts een type zin uitmaakt.
De redenen die aanleiding gaven tot dit vermoeden blijken verder niet uit de stukken van het administratief dossier.
De situatie van ongestoord bezoek vormt op zich vanzelfsprekend geen individuele aanwijzing die een fouillering op het lichaam zou rechtvaardigen. Bijgevolg is er aldus geen sprake van individuele aanwijzingen die toelaten om te oordelen dat het onderzoek van de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.