BC/21-0236
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - GEINTERNEERDE - BIJSTAND ADVOCAAT - VERDOKEN TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING
Hoewel het inrichtingshoofd terecht verwijst naar het adagium “qui peut le plus, peut le moins”, is het beroep tegen de VM ongegrond omdat uit de motivering onvoldoende blijkt dat het gedrag van klager een ”ernstige of opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” uitmaakt. Het administratief dossier bevat immers geen RAD, noch enige andere observatienota of meldingsverslag waaruit dergelijke feitelijke omstandigheden zouden blijken. Bovendien is de zinsnede uit de motivering verder niet geïndividualiseerd in hoofde van klager, nu enkel in algemene bewoordingen een toestand in een vleugel van de gevangenis wordt beschreven. De urgente aard van de voorlopige maatregel ontslaat de directeur niet van de op haar rustende motiveringsplicht.
Wat betreft de vernietiging van de BVM wegens gebrek aan bijstand van een raadsman tijdens het gehoor, verwijst de klachtencommissie dienstig naar de rechtspraak van de Franstalige beroepscommissie die eerder het recht op bijstand van een raadsman voor een geïnterneerde bevestigde, ondanks het stilzwijgen van de wetgever hieromtrent in artikel 167 §4. De beroepscommissie sluit zich aan bij deze rechtspraak, zij het in het licht van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Vaststaande rechtspraak van de Raad van State eist in het kader van de hoorplicht dat de bestuurde op een nuttige wijze voor zijn standpunt kan opkomen. Het was de bedoeling van de wetgever om de bijstand van een advocaat voor een geïnterneerde verplicht te maken in elke stand van de rechtspleging inzake de interne rechtspositie en niet enkel voor tuchtprocedures en de procedures van de klachten- en beroepscommissie. Dit anders interpreteren, zou volgens het wettelijk verankerde hoorrecht van een geïnterneerde in het kader van deze procedures volledig uithollen, zodat hij dit recht niet nuttig kan uitoefenen. De hoorplicht kadert in het zorgvuldigheidsbeginsel dat (grond)wettelijke waarde heeft en aldus hiërarchisch boven, minstens op hetzelfde niveau als de Basiswet staat, die op dit punt een leemte bevat inzake geïnterneerden.
Het belang van de hoorplicht van een geïnterneerde in het bijzijn van een raadsman, blijkt des te meer uit het feit dat de thans voorliggende BVM zich tevens voordoet als een verdoken tuchtsanctie. Conform de criteria uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt uit het geheel van het administratief dossier dat de bestreden BVM er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekte klager te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen en zich niet louter voordoet als maatregel van inwendige orde. Door een BVM op te leggen na de VM, omzeilde de directie onder meer de waarborg van het recht op bijstand van een advocaat bij een tuchtprocedure voor èlke gedetineerde (artikel 144 § 4 Basiswet) en in het bijzonder de verplichte bijstand voor een geïnterneerde (artikel 167 §4) , zodat ook de rechten van verdediging werden geschonden.
Hoewel het inrichtingshoofd terecht verwijst naar het adagium “qui peut le plus, peut le moins”, is het beroep tegen de VM ongegrond omdat uit de motivering onvoldoende blijkt dat het gedrag van klager een ”ernstige of opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” uitmaakt. Het administratief dossier bevat immers geen RAD, noch enige andere observatienota of meldingsverslag waaruit dergelijke feitelijke omstandigheden zouden blijken. Bovendien is de zinsnede uit de motivering verder niet geïndividualiseerd in hoofde van klager, nu enkel in algemene bewoordingen een toestand in een vleugel van de gevangenis wordt beschreven. De urgente aard van de voorlopige maatregel ontslaat de directeur niet van de op haar rustende motiveringsplicht.
Wat betreft de vernietiging van de BVM wegens gebrek aan bijstand van een raadsman tijdens het gehoor, verwijst de klachtencommissie dienstig naar de rechtspraak van de Franstalige beroepscommissie die eerder het recht op bijstand van een raadsman voor een geïnterneerde bevestigde, ondanks het stilzwijgen van de wetgever hieromtrent in artikel 167 §4. De beroepscommissie sluit zich aan bij deze rechtspraak, zij het in het licht van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Vaststaande rechtspraak van de Raad van State eist in het kader van de hoorplicht dat de bestuurde op een nuttige wijze voor zijn standpunt kan opkomen. Het was de bedoeling van de wetgever om de bijstand van een advocaat voor een geïnterneerde verplicht te maken in elke stand van de rechtspleging inzake de interne rechtspositie en niet enkel voor tuchtprocedures en de procedures van de klachten- en beroepscommissie. Dit anders interpreteren, zou volgens het wettelijk verankerde hoorrecht van een geïnterneerde in het kader van deze procedures volledig uithollen, zodat hij dit recht niet nuttig kan uitoefenen. De hoorplicht kadert in het zorgvuldigheidsbeginsel dat (grond)wettelijke waarde heeft en aldus hiërarchisch boven, minstens op hetzelfde niveau als de Basiswet staat, die op dit punt een leemte bevat inzake geïnterneerden.
Het belang van de hoorplicht van een geïnterneerde in het bijzijn van een raadsman, blijkt des te meer uit het feit dat de thans voorliggende BVM zich tevens voordoet als een verdoken tuchtsanctie. Conform de criteria uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt uit het geheel van het administratief dossier dat de bestreden BVM er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekte klager te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen en zich niet louter voordoet als maatregel van inwendige orde. Door een BVM op te leggen na de VM, omzeilde de directie onder meer de waarborg van het recht op bijstand van een advocaat bij een tuchtprocedure voor èlke gedetineerde (artikel 144 § 4 Basiswet) en in het bijzonder de verplichte bijstand voor een geïnterneerde (artikel 167 §4) , zodat ook de rechten van verdediging werden geschonden.