KC38/26-0025
Fondée
Compensation
KC - Dendermonde-Hulp
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - RECHT VAN VERDEDIGING
De klachtencommissie nam kennis van het tuchtdossier. Uit de tuchtbeslissing blijkt dat de directie van oordeel is dat volgende feiten twee tuchtinbreuken van de eerste categorie uitmaken, namelijk de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee en de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee:
Tijdens de wandeling ontstond er tussen [naam medegedetineerde]. en [naam klager] een schermutseling na een voorgaand opstootje tussen twee andere partijen. Hierbij gaf [naam medegedetineerde] met twee handen een duw aan [naam klager] die op deze manier zijn evenwicht verloor. Hierna heeft [naam klager] zonder succes een vuistslag proberen geven aan [naam medegedetineerde]. Dit werd op zijn beurt gevolgd door twee voorwaartse trappen van [naam medegedetineerde] aan [naam klager]. Hierna werden de twee partijen uit elkaar gehaald. Later hebben de twee bovenstaande elkaar terug opgezocht waarna ze met elkaar gepraat hebben en de hand geschud hebben.
In eerste instantie kan de klachtencommissie uit dit feitenrelaas geen opzettelijke beschadiging van roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee afleiden. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt echter dat dit feitenrelaas niet volledig is. Klager heeft immers twee rapporten opgelopen en slechts één van deze twee rapporten wordt aangehaald als ten laste gelegde feiten. Naast deze onzorgvuldigheid acht de klachtencommissie de vermelding van deze ten laste gelegde feiten in de tuchtbeslissing problematisch aangezien uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de directie klager niet heeft willen sanctioneren voor deze feiten. In de motivering van de tuchtbeslissing wordt immers vermeld: “Wat betreft de schermutseling: deze is niet verder geëscaleerd. Betrokkene was ook niet de aanstoker en heeft later alles bijgelegd.” Dat klager dus niet gesanctioneerd is voor de feiten uit dit eerste rapport, wordt volgens de klachtencommissie bevestigd door de volgende passage in het verweer van de directie: “Betreffende de schermutseling werd deze niet in beschouwing genomen voor het bepalen van de tuchtsanctie. Dit werd ook duidelijk uit de motivatie van de tucht.” Elke vermelding in de tuchtbeslissing van deze niet tuchtrechtelijk gesanctioneerde vaststellingen, en dus ook de tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, is bijgevolg niet correct en zelfs verwarrend. De directie had deze vermeldingen moeten weglaten uit de tuchtbeslissing.
Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat klager wel tuchtrechtelijk gesanctioneerd is voor brandstichting. De directie heeft deze feiten vertaald naar de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee. Nadat de directie eerder kennis had genomen van het eerste RAD en besloten had om hiervoor een tuchtprocedure op te starten en klager uit te nodigen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting, besliste zij om het tweede RAD toe te voegen aan de lopende tuchtprocedure en klager hierover ook te horen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Klager klaagt aan dat hij niet in kennis werd gesteld van deze uitbreiding van de tuchtprocedure waardoor hij zijn wens om in zijn verdediging over het tweede RAD te worden bijgestaan door een advocaat, niet kon kenbaar maken. Daarenboven verklaart klager ook geen kopie te hebben ontvangen van beide rapporten. Dit is in strijd met artikel 144, §3 van de Basiswet en Collectieve Brief nr. 124. Klager verklaart dat indien hij op voorhand had geweten dat hij zou gehoord worden over de vaststellingen van brandstichting, hij wél wou dat er een advocaat aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie besluit dat deze onregelmatigheden een schending zijn van het recht op verdediging.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.
De klachtencommissie nam kennis van het tuchtdossier. Uit de tuchtbeslissing blijkt dat de directie van oordeel is dat volgende feiten twee tuchtinbreuken van de eerste categorie uitmaken, namelijk de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee en de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee:
Tijdens de wandeling ontstond er tussen [naam medegedetineerde]. en [naam klager] een schermutseling na een voorgaand opstootje tussen twee andere partijen. Hierbij gaf [naam medegedetineerde] met twee handen een duw aan [naam klager] die op deze manier zijn evenwicht verloor. Hierna heeft [naam klager] zonder succes een vuistslag proberen geven aan [naam medegedetineerde]. Dit werd op zijn beurt gevolgd door twee voorwaartse trappen van [naam medegedetineerde] aan [naam klager]. Hierna werden de twee partijen uit elkaar gehaald. Later hebben de twee bovenstaande elkaar terug opgezocht waarna ze met elkaar gepraat hebben en de hand geschud hebben.
In eerste instantie kan de klachtencommissie uit dit feitenrelaas geen opzettelijke beschadiging van roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee afleiden. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt echter dat dit feitenrelaas niet volledig is. Klager heeft immers twee rapporten opgelopen en slechts één van deze twee rapporten wordt aangehaald als ten laste gelegde feiten. Naast deze onzorgvuldigheid acht de klachtencommissie de vermelding van deze ten laste gelegde feiten in de tuchtbeslissing problematisch aangezien uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de directie klager niet heeft willen sanctioneren voor deze feiten. In de motivering van de tuchtbeslissing wordt immers vermeld: “Wat betreft de schermutseling: deze is niet verder geëscaleerd. Betrokkene was ook niet de aanstoker en heeft later alles bijgelegd.” Dat klager dus niet gesanctioneerd is voor de feiten uit dit eerste rapport, wordt volgens de klachtencommissie bevestigd door de volgende passage in het verweer van de directie: “Betreffende de schermutseling werd deze niet in beschouwing genomen voor het bepalen van de tuchtsanctie. Dit werd ook duidelijk uit de motivatie van de tucht.” Elke vermelding in de tuchtbeslissing van deze niet tuchtrechtelijk gesanctioneerde vaststellingen, en dus ook de tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, is bijgevolg niet correct en zelfs verwarrend. De directie had deze vermeldingen moeten weglaten uit de tuchtbeslissing.
Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat klager wel tuchtrechtelijk gesanctioneerd is voor brandstichting. De directie heeft deze feiten vertaald naar de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee. Nadat de directie eerder kennis had genomen van het eerste RAD en besloten had om hiervoor een tuchtprocedure op te starten en klager uit te nodigen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting, besliste zij om het tweede RAD toe te voegen aan de lopende tuchtprocedure en klager hierover ook te horen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Klager klaagt aan dat hij niet in kennis werd gesteld van deze uitbreiding van de tuchtprocedure waardoor hij zijn wens om in zijn verdediging over het tweede RAD te worden bijgestaan door een advocaat, niet kon kenbaar maken. Daarenboven verklaart klager ook geen kopie te hebben ontvangen van beide rapporten. Dit is in strijd met artikel 144, §3 van de Basiswet en Collectieve Brief nr. 124. Klager verklaart dat indien hij op voorhand had geweten dat hij zou gehoord worden over de vaststellingen van brandstichting, hij wél wou dat er een advocaat aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie besluit dat deze onregelmatigheden een schending zijn van het recht op verdediging.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.