TUCHT - SUBSIDIARITEIT
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de orde. De directie was van oordeel dat klager de orde opzettelijk had aangetast door kortstondig te weigeren terug in zijn cel te gaan en te hebben verklaard aan het personeel dat het uit de hand zou lopen als hij nog langer met zijn celgenoot op cel zou moeten blijven. De orde wordt in de Basiswet omschreven als een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In artikel 122 van de Basiswet is bepaald dat het tuchtregime ertoe strekt de orde en de veiligheid te vrijwaren met eerbiediging van de waardigheid, het zelfrespect en de individuele en sociale verantwoordelijkheid van de gedetineerden. Het beroep op de tuchtprocedure moet beperkt blijven tot situaties waarin de handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting dit gebiedend rechtvaardigen en er geen enkel ander middel kan worden gebruikt om dit te verzekeren. Gelet op het feit dat de celgenoot van klager eerder die ochtend, al dan niet opzettelijk, brand had gesticht in de duocel, klager zich hierdoor terecht onveilig voelde, hij zijn bezorgdheid kenbaar heeft gemaakt aan het personeel op een moment dat zijn celgenoot niet aanwezig was in de cel, dat niet wordt vermeld dat klager zich hierbij eisend of agressief opstelde en hij tenslotte op eerste verzoek van het personeel zijn cel is binnengegaan, is de klachtencommissie van oordeel dat het opleggen van een tuchtsanctie omdat klager zijn onveiligheidsgevoel en noodkreet heeft kenbaar gemaakt, strijdig is met het subsidiariteitsprincipe van artikel 122 van de Basiswet. De klachtencommissie meent dat niet is aangetoond dat het opleggen van een tuchtsanctie noodzakelijk was. Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Conform de Basiswet worden bij vernietiging van de beslissing de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak van de klachtencommissie.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de orde. De directie was van oordeel dat klager de orde opzettelijk had aangetast door kortstondig te weigeren terug in zijn cel te gaan en te hebben verklaard aan het personeel dat het uit de hand zou lopen als hij nog langer met zijn celgenoot op cel zou moeten blijven. De orde wordt in de Basiswet omschreven als een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In artikel 122 van de Basiswet is bepaald dat het tuchtregime ertoe strekt de orde en de veiligheid te vrijwaren met eerbiediging van de waardigheid, het zelfrespect en de individuele en sociale verantwoordelijkheid van de gedetineerden. Het beroep op de tuchtprocedure moet beperkt blijven tot situaties waarin de handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting dit gebiedend rechtvaardigen en er geen enkel ander middel kan worden gebruikt om dit te verzekeren. Gelet op het feit dat de celgenoot van klager eerder die ochtend, al dan niet opzettelijk, brand had gesticht in de duocel, klager zich hierdoor terecht onveilig voelde, hij zijn bezorgdheid kenbaar heeft gemaakt aan het personeel op een moment dat zijn celgenoot niet aanwezig was in de cel, dat niet wordt vermeld dat klager zich hierbij eisend of agressief opstelde en hij tenslotte op eerste verzoek van het personeel zijn cel is binnengegaan, is de klachtencommissie van oordeel dat het opleggen van een tuchtsanctie omdat klager zijn onveiligheidsgevoel en noodkreet heeft kenbaar gemaakt, strijdig is met het subsidiariteitsprincipe van artikel 122 van de Basiswet. De klachtencommissie meent dat niet is aangetoond dat het opleggen van een tuchtsanctie noodzakelijk was. Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Conform de Basiswet worden bij vernietiging van de beslissing de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak van de klachtencommissie.