TUCHT – HUISHOUDELIJK REGLEMENT – FEITELIJK HANDELEN – PERSONEEL - VERBODEN SUBSTANTIES
In zijn klachtenformulier schrijft klager dat hij zich beklaagt over 2 RAD’s. Een eerste RAD heeft betrekking op verboden middelen. Dit RAD betwist hij niet. Het tweede RAD heeft betrekking op het gedrag van een beambte. De beambte zou hem met zijn zelfmoordpoging uitgelachen hebben. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 21 dagen ATV.
Wat betreft de kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt (noch in haar tuchtbeslissing, noch in haar schriftelijk verweer) van welke voorgeschreven bepalingen geschonden worden door klager.
Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing voor wat betreft deze kwalificatie daar de bepalingen van het huishoudelijk reglement die volgens de directie geschonden waren niet werden aangeduid. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden.
Wat betreft de kwalificatie “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” stelt de klachtencommissie vast dat klager de feiten op zich niet betwist. Wel probeert hij om deze te kaderen en te contextualiseren. Daarbij is het argument van klager dat hij werd uitgelokt door de beambte. De klachtencommissie volgt klager hierin. De klachtencommissie meent dat de directie niet heeft voldaan aan haar zorgvuldigheidsplicht. De klachtencommissie acht voormelde kwalificatie derhalve niet correct en afdoende gemotiveerd. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden.
De directie kon de feiten wel omschrijven als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. Klager ontkent deze feiten ook niet. De klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk van eerste categorie, nl. het bezit van verboden substanties. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie in zekere zin rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd. Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” en “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.
In zijn klachtenformulier schrijft klager dat hij zich beklaagt over 2 RAD’s. Een eerste RAD heeft betrekking op verboden middelen. Dit RAD betwist hij niet. Het tweede RAD heeft betrekking op het gedrag van een beambte. De beambte zou hem met zijn zelfmoordpoging uitgelachen hebben. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 21 dagen ATV.
Wat betreft de kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt (noch in haar tuchtbeslissing, noch in haar schriftelijk verweer) van welke voorgeschreven bepalingen geschonden worden door klager.
Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing voor wat betreft deze kwalificatie daar de bepalingen van het huishoudelijk reglement die volgens de directie geschonden waren niet werden aangeduid. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden.
Wat betreft de kwalificatie “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” stelt de klachtencommissie vast dat klager de feiten op zich niet betwist. Wel probeert hij om deze te kaderen en te contextualiseren. Daarbij is het argument van klager dat hij werd uitgelokt door de beambte. De klachtencommissie volgt klager hierin. De klachtencommissie meent dat de directie niet heeft voldaan aan haar zorgvuldigheidsplicht. De klachtencommissie acht voormelde kwalificatie derhalve niet correct en afdoende gemotiveerd. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden.
De directie kon de feiten wel omschrijven als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. Klager ontkent deze feiten ook niet. De klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk van eerste categorie, nl. het bezit van verboden substanties. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie in zekere zin rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd. Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” en “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.