Ga verder naar de inhoud

KC33/24-0057

Non fondée KC - Wortel Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - HYGIËNE

De klachten zijn gericht tegen de tuchtbeslissing van 21.05.2024, uitgesproken door de directie van de gevangenis van Wortel.

De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd op 21.05.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen, een tuchtinbreuk van tweede categorie, naar aanleiding van feiten die werden meegedeeld in een rapport aan de directeur (RAD) van 17.05.2024.

Twee beambten stelden op 17.05.2024 een RAD op omdat zij na het ongestoord bezoek van klager hadden vastgesteld dat het lokaal half onder water stond, dat er voetsporen op het bed en de zetels stonden en dat er zwarte vlekken op de muur waren. De diender had hen daar op gewezen. De directeur nam op 18.05.2024 kennis van het RAD en besloot om een tuchtprocedure op te starten.

De Basiswet bepaalt dat de directeur de gedetineerde hoort in zijn middelen van verdediging binnen de zeven dagen na de overhandiging van het formulier inzake de mededeling van de opstart van een tuchtprocedure en de uitnodiging van de hoorzitting. Uit dit bijgevoegde formulier blijkt dat klager op 18.05.2024 in kennis werd gesteld dat de tuchtrechtelijke hoorzitting zou plaatsvinden op 21.05.2024. Op het formulier werd aangekruist dat hij geen bijstand van een advocaat wenste. Op de plaats waar klager het formulier moest ondertekenen, staat een handtekening.

In de tuchtbeslissing staat dat klager weigerde te verschijnen voor de hoorzitting. Klager verklaart echter dat hem de toegang tot de zitting werd geweigerd door een beambte. De directie verklaart dat zij zich heeft gebaseerd op de melding van het personeel dat klager niet wenste te verschijnen. De klachtencommissie stelt vast dat het tuchtdossier een ingevuld formulier conform Collectieve Brief nr. 124 inzake het tuchtregime van 6 september 2013 bevat. De klachtencommissie kan op basis van dit stuk afleiden dat klager afstand heeft gedaan van zijn hoorrecht. Hij bevestigde ook dat hij weigerde dit document te ondertekenen.

In de veronderstelling dat de verklaring van klager, hoewel niet gesteund door enig document, toch correct is, belette dit niet dat klager zijn standpunt alsnog op papier zette en dit liet afgeven aan de directie. Tot slot verklaarde de raadsman van klager dat zij zich hadden voorbereid om naar de zitting te gaan maar de klachtencommissie stelt vast dat klager bij de afgifte van het formulier inzake de mededeling van de opstart van een tuchtprocedure en de uitnodiging van de hoorzitting, liet weten geen bijstand van een advocaat te willen. De klachtencommissie besluit hieruit dat het recht van verdediging van klager niet werd geschonden.

Een gedetineerde kan alleen tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.

Bij de beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten, oefent de directeur een discretionaire bevoegdheid uit. Aangezien de tuchtregeling in de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, kan de directeur voor het bewijs steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. De rapporten aan de directeur vormen daarbij een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen.

Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD opgemaakt door twee beambten. Doordat de directie verklaarde dat het lokaal van het ongestoord bezoek meteen na het bezoek gecontroleerd wordt, hetgeen ook aannemelijk wordt gemaakt door het tijdstip van de feiten zoals vermeld in het RAD, meent de klachtencommissie tot slot dat de staat waarin het lokaal werd achtergelaten, kon toegerekend worden aan klager en zijn bezoeker. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijf dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.

Om deze redenen zijn de klachten ongegrond.