TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt de vondst van een bord met een wit poeder en een opgerold briefje, evenals een zelfgemaakt pijpje gevonden. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), verwijzend naar de regels rond inname van medicatie. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Ze wijst er voor de volledigheid op dat klager ten overstaan van de beambte aangaf dat hij de rilatine op de wandeling verkreeg en ter tuchtzitting bevestigde dat hij deze medicatie niet zelf voorgeschreven krijgt, waardoor er ook voor dit aspect sprake was van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (verbod op verkoop, ruil of schenking tussen gedetineerden).
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van “het verslag van de psychiater”. Vervolgens zegt ze: “Uit de verslaggeving blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten doelgericht handelde, zich bewust was van zijn omgeving en de gevolgen van zijn gedrag. Er zijn geen aanwijzingen dat hij op dat moment onder invloed was van een psychotische episode, cognitieve desoriëntatie of andere symptomen die zijn oordeelsvermogen zouden aantasten.” De klachtencommissie vindt de motivering onduidelijk. Er wordt gesproken over een verslag van de psychiater, zonder dat daarbij vermeld wordt van wanneer dit dateert. Ook wordt hiervan geen enkel bewijs bijgevoegd. Voorts verwijst de directie naar “verslaggeving”, doch wat ze daarover zegt lijkt terug te slaan op het RAD. Het RAD van 29 maart 2026 beschrijft enkel de vondst van de verpulverde rilatine met een opgerold briefje en zelfgemaakt pijpje. Er wordt toegevoegd dat klager aan de ddPBAP vertelde dat het rilatine is die hij op de wandeling verkreeg. Deze verslaggeving geeft dan ook enkel duidelijkheid over de materiële feiten, maar geen indicatie over de geestestoestand van klager.Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager aangaf deze via andere kanalen te zullen bekomen.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt de vondst van een bord met een wit poeder en een opgerold briefje, evenals een zelfgemaakt pijpje gevonden. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), verwijzend naar de regels rond inname van medicatie. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Ze wijst er voor de volledigheid op dat klager ten overstaan van de beambte aangaf dat hij de rilatine op de wandeling verkreeg en ter tuchtzitting bevestigde dat hij deze medicatie niet zelf voorgeschreven krijgt, waardoor er ook voor dit aspect sprake was van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (verbod op verkoop, ruil of schenking tussen gedetineerden).
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van “het verslag van de psychiater”. Vervolgens zegt ze: “Uit de verslaggeving blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten doelgericht handelde, zich bewust was van zijn omgeving en de gevolgen van zijn gedrag. Er zijn geen aanwijzingen dat hij op dat moment onder invloed was van een psychotische episode, cognitieve desoriëntatie of andere symptomen die zijn oordeelsvermogen zouden aantasten.” De klachtencommissie vindt de motivering onduidelijk. Er wordt gesproken over een verslag van de psychiater, zonder dat daarbij vermeld wordt van wanneer dit dateert. Ook wordt hiervan geen enkel bewijs bijgevoegd. Voorts verwijst de directie naar “verslaggeving”, doch wat ze daarover zegt lijkt terug te slaan op het RAD. Het RAD van 29 maart 2026 beschrijft enkel de vondst van de verpulverde rilatine met een opgerold briefje en zelfgemaakt pijpje. Er wordt toegevoegd dat klager aan de ddPBAP vertelde dat het rilatine is die hij op de wandeling verkreeg. Deze verslaggeving geeft dan ook enkel duidelijkheid over de materiële feiten, maar geen indicatie over de geestestoestand van klager.Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager aangaf deze via andere kanalen te zullen bekomen.