Ga verder naar de inhoud

KC32/26-0031

Non fondée KC - Turnhout Commission des plaintes Fouille à corps
FOUILLE - TUCHT - TOEREKENBAARHEID - TEGEMOETKOMING

De eerste klacht gaat over een naaktfouillering. De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat klager in het bezit was van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Door het gedrag van klager in het douchelokaal bestond immers een duidelijk vermoeden dat een medegedetineerde iets van verboden voorwerpen of substanties had achtergelaten voor klager in het douchelokaal. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden. Ook een voorafgaandelijke celcontrole was geen beter alternatief geweest aangezien de verdachte handelingen zich afspeelden in het douchelokaal.

De tweede klacht gaat over een tuchtbeslissing waarbij klager tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door een getuige van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager zelf dat hij het woord ‘hoer’ heeft gezegd. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom deze feiten de tuchtrechtelijke inbreuk “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” uitmaakten.

De klachtencommissie stelt vast dat klager geïnterneerd is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de tuchtrechtelijke inbreuken aan klager verwijst naar het RAD van 02/02/2026. De klachtencommissie is echter van oordeel dat dit RAD onvoldoende elementen bevat die toelaten om een correct beeld te vormen van de geestesgesteldheid van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie meent dat deze motivering niet toelaat te achterhalen welke observaties of informatie in dit dossier concreet worden weerhouden door de gevangenisdirectie. Het is het allerminst duidelijk welke passages uit de verslaggeving er in het bijzonder op wijzen dat klager helder van geest was op het ogenblik van de feiten. Bijgevolg is het voor klager onmogelijk om de precieze achterliggende motieven van het opleggen van een tuchtsanctie te achterhalen. De klachtencommissie is van oordeel dat de tuchtbeslissing niet naar recht gemotiveerd werd.

Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 04/02/2026 en beveelt de schrapping ervan uit het tuchtregister. De klachtencommissie kent de volgende tegemoetkoming toe: één extra ongestoord bezoek.