Ga verder naar de inhoud

KC32/25-0248

Fondée Compensation KC - Turnhout Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - GEINTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - WANDELING - TEGEMOETKOMING

Klager heeft een klacht ingediend tegen een tuchtbeslissing. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting werd klager geconfronteerd met de vaststellingen die gebeurd waren tijdens de celcontrole. Hij verklaarde niet te weten hoe de drugs in zijn cel waren gekomen. De directie heeft klager toch gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de directie zich voor het bewijs heeft gesteund op de vaststelling dat er in de cel van klager drugs werden gevonden, dat klager die namiddag was teruggekomen van een uitgang en dat hij in het verleden reeds betrapt werd op het bezit van drugs. De klachtencommissie benadrukt dat het straf- of tuchtrechtelijk verleden van een gedetineerde niet kan gebruikt worden als bewijselement dat hij een nieuwe inbreuk heeft begaan. Eerdere tuchtbeslissingen kunnen enkel in rekening worden gebracht bij de straftoemeting. De klachtencommissie is verder van oordeel dat er inderdaad een ontegensprekelijke vaststelling is gebeurd dat er drugs werden gevonden in de cel waar klager verblijft en dat een uitgangsvergunning een mogelijkheid kan zijn om verboden voorwerpen of substanties naar binnen te smokkelen. De klachtencommissie stelt echter vast dat klager de cel deelde met een andere gedetineerde op het moment dat de drugs werden gevonden. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de verklaring van klager ongeloofwaardig acht en de drugs bijgevolg zonder meer toerekent aan klager terwijl de klachtencommissie meent dat de vindplaats van de drugs (in het raamkozijn) geen vindplaats is die zonder meer kan gelinkt worden aan klager. Daarenboven heeft men klager niet onmiddellijk onderworpen aan een naaktfouille toen hij de gevangenis binnenkwam na zijn uitgang. Klager is eerst mogen terugkeren naar zijn cel. Bijgevolg meent de klachtencommissie dat het niet bewezen is dat klager die drugs op zak had toen hij binnenkwam in de gevangenis en deze vervolgens heeft verstopt in de cel. Er kan niet uitgesloten worden dat die drugs al op cel lagen en dat die misschien wel het bezit waren van de celgenoot van klager. Gelet op het vermoeden van onschuld was er volgens de klachtencommissie onvoldoende bewijs om de inbreuk toe te rekenen aan klager.

Bovendien blijkt klager geïnterneerd te zijn. In casu acht de directie klager toerekeningsvatbaar op basis van “observaties en informatie die specifiek betrekking hebben op het moment van de feiten. Uit de verslaggeving en gesprekken met het personeel blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten doelgericht handelde, zich bewust was van zijn omgeving en de gevolgen van zijn gedrag. Er zijn geen aanwijzingen dat hij op dat moment onder invloed was van een psychotische episode, cognitieve desoriëntatie of andere symptomen die zijn oordeelsvermogen zouden aantasten.” De klachtencommissie is van oordeel dat deze argumentatie helder uitlegt waarom de directie van oordeel was dat klager toerekeningsvatbaar was voor de feiten maar de klachtencommissie kan de juistheid van deze argumentatie niet verifiëren aangezien de dossierstukken geen weerslag van de vermelde verslaggeving en gesprekken bevatten. Deze indruk van het personeel werd ook niet weergegeven in het RAD. De klachtencommissie besluit dat de bestreden beslissing niet naar recht werd gemotiveerd.

Tot slot heeft klager nog een klacht ingediend over de tuchtsanctie. Volgens klager heeft hij gedurende zijn tuchtsanctie van dertig dagen ATV slechts vier keer een wandeling aangeboden gekregen. In artikel 140, §2, tweede lid van de Basiswet staat “de directeur draagt er zorg voor dat de gedetineerde de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven.” In haar aanvullend verweer heeft de directie verklaard dat de gedetineerden onder ATV dagelijks worden bevraagd of ze willen gaan wandelen. Een bewijs dat dit ook effectief gebeurd is gedurende dertig dagen in het geval van klager, brengt de directie weliswaar niet bij.

Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klachten tegen de tuchtbeslissing gegrond zijn. De klachtencommissie kent een tegemoetkoming toe van tweehonderdzestig (260) minuten aan belwaarde.