TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS
Klager heeft een klacht ingediend tegen de tuchtbeslissing. Hij is het niet eens met de beslissing omdat hij niets van de verboden substantie af wist. Zijn celgenoot heeft bekend dat de substantie van hem was. Hij had deze gekregen van de vorige celgenoot.
Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager tegenover de directie verklaard heeft dat hij had horen zeggen dat zijn celgenoot met vier of vijf personen in dezelfde zaak zat. Die personen hebben veel samen op cel gezeten. Zij zouden dit hebben binnengebracht. Zijn celgenoot was intussen de laatste van die zaak die nog overbleef dus hij was nog in het bezit van die blok hasj. Klager geeft aan er zelf niet van gesmoord te hebben. Hij wist niet dat die blok op de bewuste verstopplaats lag. Hij gaf toe dat er op cel wel al eens gesmoord werd, ook door hem, maar van de blok wist hij niets.
Op grond van het RAD en de twee meldingsverslagen blijkt dat er drugs gevonden zijn in de cel waar klager en zijn celgenoot verbleven. De drugs werden gevonden onder de bovenkant van de koelkast die voor het laatst op 20.10.2025 onderzocht is geweest door het personeel. Klager is in de cel getrokken op 23.10.205. De klachtencommissie meent dat dit duidelijke vaststellingen zijn. Uit het RAD blijkt echter dat beide celgenoten verklaarden van niets te weten. Zowel in zijn klacht als tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft klager weliswaar zijn celgenoot aangewezen als de eigenaar van de drugs aangezien hij zelf niet wist dat er onder de bovenkant van de koelkast drugs lagen verstopt. Tijdens de hoorzitting heeft klager een verhaal uiteengezet hoe het komt dat zijn celgenoot in het bezit was van de blok hasj. De klachtencommissie is van oordeel dat klager vrijwel weet te verklaren over iets waar hij zogezegd niets over weet. Tenslotte heeft klager in zijn klacht geschreven dat zijn celgenoot het bezit van de drugs heeft toegegeven, doch dit blijkt niet uit het dossier. De klachtencommissie besluit dat de verklaring van klager ongeloofwaardig is en geen overtuigende tegenargumenten bevat die doen besluiten dat het RAD en de meldingsverslagen onvoldoende zijn als bewijs dat klager minstens deelnam aan het bezit van door de wet verboden substanties. De poging tot het plegen van en deelneming aan een in de artikelen 129 en 130 bedoelde tuchtrechtelijke inbreuken wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is dit de wettelijk toegestane maximumsanctie. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de grote hoeveelheid hasj die werd gevonden.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Klager heeft een klacht ingediend tegen de tuchtbeslissing. Hij is het niet eens met de beslissing omdat hij niets van de verboden substantie af wist. Zijn celgenoot heeft bekend dat de substantie van hem was. Hij had deze gekregen van de vorige celgenoot.
Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager tegenover de directie verklaard heeft dat hij had horen zeggen dat zijn celgenoot met vier of vijf personen in dezelfde zaak zat. Die personen hebben veel samen op cel gezeten. Zij zouden dit hebben binnengebracht. Zijn celgenoot was intussen de laatste van die zaak die nog overbleef dus hij was nog in het bezit van die blok hasj. Klager geeft aan er zelf niet van gesmoord te hebben. Hij wist niet dat die blok op de bewuste verstopplaats lag. Hij gaf toe dat er op cel wel al eens gesmoord werd, ook door hem, maar van de blok wist hij niets.
Op grond van het RAD en de twee meldingsverslagen blijkt dat er drugs gevonden zijn in de cel waar klager en zijn celgenoot verbleven. De drugs werden gevonden onder de bovenkant van de koelkast die voor het laatst op 20.10.2025 onderzocht is geweest door het personeel. Klager is in de cel getrokken op 23.10.205. De klachtencommissie meent dat dit duidelijke vaststellingen zijn. Uit het RAD blijkt echter dat beide celgenoten verklaarden van niets te weten. Zowel in zijn klacht als tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft klager weliswaar zijn celgenoot aangewezen als de eigenaar van de drugs aangezien hij zelf niet wist dat er onder de bovenkant van de koelkast drugs lagen verstopt. Tijdens de hoorzitting heeft klager een verhaal uiteengezet hoe het komt dat zijn celgenoot in het bezit was van de blok hasj. De klachtencommissie is van oordeel dat klager vrijwel weet te verklaren over iets waar hij zogezegd niets over weet. Tenslotte heeft klager in zijn klacht geschreven dat zijn celgenoot het bezit van de drugs heeft toegegeven, doch dit blijkt niet uit het dossier. De klachtencommissie besluit dat de verklaring van klager ongeloofwaardig is en geen overtuigende tegenargumenten bevat die doen besluiten dat het RAD en de meldingsverslagen onvoldoende zijn als bewijs dat klager minstens deelnam aan het bezit van door de wet verboden substanties. De poging tot het plegen van en deelneming aan een in de artikelen 129 en 130 bedoelde tuchtrechtelijke inbreuken wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is dit de wettelijk toegestane maximumsanctie. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de grote hoeveelheid hasj die werd gevonden.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.