TUCHT - TOEREKENBAARHEID
Klager dient klacht in tegen de tuchtbeslissing omdat hij geen psychiater heeft gezien en meent dat hij daar recht op heeft als geïnterneerde.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat noch de Basiswet, noch de toepasselijke wetgeving, noch eerdere beslissingen van de Beroepscommissie vereisen dat een geïnterneerde geconsulteerd dient te worden door een psychiater alvorens een tuchtsanctie kan worden opgelegd.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en vier beambten getuige waren van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager noch tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, noch in zijn klacht overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager stelt enkel dat hij geen psychiater heeft gezien. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. Uit het RAD blijkt immers duidelijk dat klager een vuistslag heeft toegebracht aan een medegedetineerde en dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de bevelen van de beambte om de wandeling te verlaten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat klager geïnterneerd is. De klachtencommissie is van oordeel dat uit het RAD blijkt dat de beambte een aanzienlijke en inhoudelijke dialoog heeft gevoerd met klager. Bovendien toont het gegeven dat klager de vraag heeft gesteld waarom hij de wandeling diende te verlaten aan dat klager op het ogenblik van de feiten helder kon redeneren. Dit wordt tevens onderstreept door de vaststelling dat klager meermaals de uitnodiging van de penitentiaire beambte om de wandeling te verlaten naast zich heeft neergelegd.
Klager dient klacht in tegen de tuchtbeslissing omdat hij geen psychiater heeft gezien en meent dat hij daar recht op heeft als geïnterneerde.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat noch de Basiswet, noch de toepasselijke wetgeving, noch eerdere beslissingen van de Beroepscommissie vereisen dat een geïnterneerde geconsulteerd dient te worden door een psychiater alvorens een tuchtsanctie kan worden opgelegd.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en vier beambten getuige waren van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager noch tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, noch in zijn klacht overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager stelt enkel dat hij geen psychiater heeft gezien. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. Uit het RAD blijkt immers duidelijk dat klager een vuistslag heeft toegebracht aan een medegedetineerde en dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de bevelen van de beambte om de wandeling te verlaten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat klager geïnterneerd is. De klachtencommissie is van oordeel dat uit het RAD blijkt dat de beambte een aanzienlijke en inhoudelijke dialoog heeft gevoerd met klager. Bovendien toont het gegeven dat klager de vraag heeft gesteld waarom hij de wandeling diende te verlaten aan dat klager op het ogenblik van de feiten helder kon redeneren. Dit wordt tevens onderstreept door de vaststelling dat klager meermaals de uitnodiging van de penitentiaire beambte om de wandeling te verlaten naast zich heeft neergelegd.