TUCHT – WANDELING
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”, een tuchtinbreuk van de tweede categorie. Drie beambten stelden een RAD op omdat ze tijdens de fouillering om naar de wandeling te gaan bij klager medicatie vonden.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD opgemaakt door drie beambten en waren twee beambten getuige van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting betwist klager niet dat hij de medicatie bij zich had op weg naar de wandeling, maar stelt hij enkel dat hij niet wist dat dit niet mocht.
Hoewel uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de medicatie wel was voorgeschreven (in tegenstelling tot wat in het RAD wordt beweerd), stelt de klachtencommissie vast dat klager geen enkele medicatie had mogen meenemen naar de wandeling. Klager betwist ook nergens in zijn klacht dat hij het huishoudelijk reglement na zijn aankomst in de gevangenis niet zou hebben ontvangen. Klager had bijgevolg kennis moeten hebben van het feit dat hij geen medicatie mocht meenemen naar de wandeling. De klachtencommissie concludeert hieruit dat de directie afdoende heeft gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De directeur kon in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een voorwaardelijke algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijf dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat het de tuchtsanctie voorwaardelijk werd opgelegd.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”, een tuchtinbreuk van de tweede categorie. Drie beambten stelden een RAD op omdat ze tijdens de fouillering om naar de wandeling te gaan bij klager medicatie vonden.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD opgemaakt door drie beambten en waren twee beambten getuige van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting betwist klager niet dat hij de medicatie bij zich had op weg naar de wandeling, maar stelt hij enkel dat hij niet wist dat dit niet mocht.
Hoewel uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de medicatie wel was voorgeschreven (in tegenstelling tot wat in het RAD wordt beweerd), stelt de klachtencommissie vast dat klager geen enkele medicatie had mogen meenemen naar de wandeling. Klager betwist ook nergens in zijn klacht dat hij het huishoudelijk reglement na zijn aankomst in de gevangenis niet zou hebben ontvangen. Klager had bijgevolg kennis moeten hebben van het feit dat hij geen medicatie mocht meenemen naar de wandeling. De klachtencommissie concludeert hieruit dat de directie afdoende heeft gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De directeur kon in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een voorwaardelijke algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijf dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat het de tuchtsanctie voorwaardelijk werd opgelegd.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.