TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIES
Gelet op zowel de materiële vaststellingen als het gegeven dat klager ter tuchtzitting niet ontkende dat het drugs betrof (en enkel betwistte wélke drugs) acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie acht de motivering van de tuchtbeslissing wel gebrekkig op het punt dat er geen enkele melding wordt gemaakt van de drugshond. Uit het verslag van de tuchtzitting blijkt dat ook het gegeven dat de drugshond bij klager ging zitten een belangrijk element was in de besluitvorming van de directie.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Op het moment dat betrokkene werd ingelicht over de vondsten in zijn verblijfsruimte was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen.
(2) Op het moment van de fouille op het lichaam, was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen.
De klachtencommissie stelt vast dat het dossier geen enkel schriftelijk stuk bevat dat deze twee elementen onderschrijft. Het bijgevoegde RAD handelt enkel over de vondsten. Er werd niets in opgenomen over de reactie van klager naar aanleiding van een confrontatie met de vondsten ter gelegenheid van de celcontrole of over zijn gedrag tijdens de fouillering op het lichaam. Dit deel van de motivering strookt dan ook niet met de schriftelijke stukken van het dossier.
(3) Ter tuchtzitting bracht betrokkene een helder verhaal, waaruit blijkt dat hij de handelingen doelbewust heeft gesteld. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Gelet op zowel de materiële vaststellingen als het gegeven dat klager ter tuchtzitting niet ontkende dat het drugs betrof (en enkel betwistte wélke drugs) acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie acht de motivering van de tuchtbeslissing wel gebrekkig op het punt dat er geen enkele melding wordt gemaakt van de drugshond. Uit het verslag van de tuchtzitting blijkt dat ook het gegeven dat de drugshond bij klager ging zitten een belangrijk element was in de besluitvorming van de directie.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Op het moment dat betrokkene werd ingelicht over de vondsten in zijn verblijfsruimte was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen.
(2) Op het moment van de fouille op het lichaam, was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen.
De klachtencommissie stelt vast dat het dossier geen enkel schriftelijk stuk bevat dat deze twee elementen onderschrijft. Het bijgevoegde RAD handelt enkel over de vondsten. Er werd niets in opgenomen over de reactie van klager naar aanleiding van een confrontatie met de vondsten ter gelegenheid van de celcontrole of over zijn gedrag tijdens de fouillering op het lichaam. Dit deel van de motivering strookt dan ook niet met de schriftelijke stukken van het dossier.
(3) Ter tuchtzitting bracht betrokkene een helder verhaal, waaruit blijkt dat hij de handelingen doelbewust heeft gesteld. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.