Ga verder naar de inhoud

KC32/24-0029

Fondée Irrecevable KC - Turnhout Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire Pas de décision du directeur
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - KLACHTENCOMMISSIE - UITVOERING

De eerste klacht gaat over een tucht. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD evenals de verklaringen van klager ter tuchtzitting. Klager brengt geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde alle feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen: (1) Het verweer tijdens de tuchtzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. (2) Klager heeft de feiten uitvoerig samengevat in een brief. De directie leidt hieruit af dat klager zich bewust is of was van zijn daden. Er werd in deze zin geen werkwoord gebruikt, waardoor ze enigszins onduidelijk is. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is hierdoor gegrond. Dat de motivering van de toerekenbaarheid niet op afdoende wijze gebeurde, maakt volgens de klachtencommissie nog niet dat de feiten ook daadwerkelijk niet aan klager toerekenbaar waren. In het schriftelijk dossier ziet de klachtencommissie aanwijzingen in de tegenovergestelde zin, met name in het RAD. Volgens de klachtencommissie had de directie expliciet moeten verwijzen naar de verklaringen van klager meteen na de feiten, waaruit blijkt dat hij er bewust voor koos om de feiten te plegen. De klachtencommissie kan niet uitsluiten dat de directie dit heeft willen bedoelen met de zin “alsnog bracht hij een samenhangend verhaal over de feiten en bracht hij beweegredenen naar voor als reden voor zijn gedrag”, hoewel het gebruik van het woord “zodus” in de volgende zin lijkt te suggereren dat ook de geciteerde zin handelt over het verweer van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie meent in elk geval dat invoeging van de woorden “op het moment van vaststelling van de feiten” in de geciteerde zin kan volstaan opdat de motivering afdoende zou zijn in het licht van artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klachtencommissie stelt deze motivering in de plaats (artikel 158, §3, 2° Basiswet). Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 15 dagen ATV, maar was van mening dat (enkel) de eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie van 7 dagen ATV had moeten uitgevoerd worden. De klachtencommissie wijst erop dat artikel 143 Basiswet de directie geenszins verplicht bij een navolgende tucht een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie in uitvoer te laten komen. De directie mag ook een geheel nieuwe tuchtsanctie opleggen. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt gedeeltelijk vernietigd voor wat betreft een deel van de motivering omtrent de toerekenbaarheid. De klachtencommissie stelt haar motivering in de plaats (artikel 158, §3, 2° Basiswet). De bestreden beslissing blijft overeind voor wat betreft de opgelegde en reeds ondergane tuchtsanctie.

Klager voert aan dat hij op 21 januari 2024 een vraag aan de griffie richtte tot kopiename. Hierop werd er volgens hem door de directie gereageerd dat zijn vraag redelijk moest blijven. In de klacht dient men zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover geklaagd wordt en de redenen van de klacht te vermelden (artikel 150 §2 Basiswet). Klager specificeert niet op welke datum dit antwoord (dat als een weigeringsbeslissing kan worden gezien) werd gegeven en hij brengt er ook geen enkel schriftelijk stuk van aan. Zijn klacht is op dit punt dan ook onvoldoende nauwkeurig. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager beklaagt zich over het gegeven dat een brief die hij aangetekend wou versturen hem werd terugbezorgd met de mededeling dat ze niet correct gefrankeerd werd. Klager informeerde zich telefonisch bij B-post, waar men volgens hem bevestigde dat ze wel voldoende gefrankeerd werd. De klachtencommissie kan in het voorliggend dossier geen beslissing door of namens de directeur ontwaren. De klachtencommissie acht het aannemelijk dat het om een misverstand gaat waarbij de informatie van B-post (die telefonisch aan klager gegeven werd en dus wellicht over algemene tarifering ging) kan afwijken van de informatie gegeven naar aanleiding van de concrete (weging van de brief) van klager op het moment van aangetekende verzending. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager maakt melding van een klacht die hij neerlegde bij het parket. De klachtencommissie kan in het schrijven van klager geen (aparte) klacht tegen een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet ontwaren en meent dat dit deel van de klacht louter informatief bedoeld is. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager beklaagt zich over de niet-uitvoering van de beslissing in KC32/23-0208 en met name over het feit dat hij nog geen nieuwe beslissing van de directeur inzake de door hem gevraagde compensatie voor slechte tv-ontvangst ontving. Hij beklaagt zich aldus over de gedeeltelijke niet-uitvoering van beslissing KC32/23-0208. Aangezien de directie op dit punt geen verweer bood, acht de klachtencommissie hetgeen klager hieromtrent aanvoert, aannemelijk. De klacht is gegrond. Teneinde de gevolgen van dit verzuim ongedaan te maken draagt de klachtencommissie de directie op om binnen de 7 dagen volgend op de betekening van deze beslissing een beslissing te nemen inzake de compensatie voor de slechte tv-ontvangst die werd aangekaart in KC32/23-0208 (voor zover dit intussen nog niet gebeurd is).

Klager beklaagt zich over een antwoord dat hij ontving van de CTRG inzake een aanvraag openbaarheid van bestuur. Hetgeen waar hij zich over beklaagt betreft geen beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager beklaagt zich over het gegeven dat volgens hem de verse koffie bij de oude koffie wordt gegoten. Hij stelt de voedselinspectie hierover te zullen aanschrijven. Hoewel de klachtencommissie deze praktijk verwerpelijk vindt, meent ze niet dat hieraan een beslissing door of namens de directeur ten grondslag ligt. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager maakt melding van een petitie die werd neergelegd bij de minister van Justitie. De klachtencommissie kan in het schrijven van klager geen klacht tegen een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet ontwaren en meent dat dit deel van de klacht louter informatief bedoeld is. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager beklaagt zich over het gegeven dat de door de klachtencommissie bij beslissing KC32/23-0192 vernietigde tuchtbeslissing nog op zijn tuchtregister staat. De klacht is gegrond. De klachtencommissie draagt de directie op om onverwijld over te gaan tot de aanpassing van het tuchtregister van klager (voor zover dit intussen nog niet gebeurd is).