KC32/24-0018
Klacht afstand met akte
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Pas de décision du directeur
STAKING - WANDELING - KLEDIJ - DEPONERING - VOEDING - KANTINE - PERSONEEL
Klager voert aan dat hij op de dag van de personeelsstaking (12 januari 2024) niet mocht wandelen. Artikel 17 van de Wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel bepaalt: “Teneinde de veiligheid en de gezondheid van de opgesloten personen te verzekeren, wordt tijdens de gehele duur van de staking minstens op dagelijkse basis erin voorzien dat elke gedetineerde: (…) 4° de mogelijkheid heeft om minstens één uur in open lucht te vertoeven;” De klachtencommissie herhaalt dat de directie de nodige maatregelen dient te nemen voor de minimale dienstverlening in het geval van een staking. In geval van stakingen van minder dan 48 uur moet de directie een beroep doen op bereidwillige personeelsleden, politiediensten en mensen van de civiele bescherming. De ministeriële omzendbrief nr. 1819 verduidelijkt dat het personeel van de politiediensten of de civiele bescherming niet ingezet kunnen worden om de minimale diensten, bepaald in artikel 17 van de wet van 23 maart 2019, te verlenen. In het voorliggend dossier ging het om een staking van 24u. De door de directie vertrouwelijk aangeleverde cijfergegevens tonen aan dat er onvoldoende personeel aanwezig was om de wandeling op een veilige manier te organiseren. Een situatie van overmacht werd dan ook aangetoond, zodat er volgens de klachtencommissie niet besloten kan worden tot een verzuim in hoofde van de directie. De klacht is ongegrond.
Klager diende verschillende aanvragen ‘openbaarheid van bestuur’ in, waar geen enkel gevolg aan werd gegeven. Klager wijst op de behandelingstermijn van 30 dagen en de bijkomende termijn van 15 dagen mits motivering, die allebei ruimschoots verstreken waren op het moment van indiening van zijn klacht. Zijn recht op inzage en afschrift wordt dan ook aangetast. Aangezien de directie in haar verweer niet betwist dat klager op de door hem geciteerde data een aanvraag inzake openbaarheid van bestuur deed, meent de klachtencommissie dat hetgeen klager aanvoert omtrent de 6 openstaande aanvragen voor waar kan worden aangenomen. Zelfs indien de directie de aanvraag van klager onduidelijk vond, had ze hier alsnog binnen een termijn van dertig dagen op moeten reageren (indien zij dit opportuun vond, met een beslissing tot afwijzing). De directie liet echter na om binnen de wettelijk voorziene termijn een beslissing (eender welke) ten aanzien van klager te nemen. Er is in het voorliggend dossier dan ook sprake van een verzuim om te antwoorden op de aanvragen van klager. De klacht is gegrond. Teneinde de gevolgen van dit verzuim ongedaan te maken moet de directie binnen de 7 dagen een beslissing nemen inzake de 6 openstaande aanvragen van klager van november 2023 tot inzage en kopiename uit zijn opsluitingsdossier (voor zover dit intussen nog niet gebeurd zou zijn).
Klager klaagt over het gegeven dat men een deel van zijn kledij heeft weggegooid in plaats van gedeponeerd. De directie liet hem weten dat het formulier duidelijk vermeldt dat bij het binnenbrengen van nieuwe kledij oude kledij uit de inrichting moet verwijderd worden teneinde het aantal stuks kledij zoals omschreven door het huishoudelijk reglement te respecteren. Volgens klager hoort deze regel in het huishoudelijk reglement zelf te staan. De klachtencommissie stelt vast dat de Basiswet slechts drie mogelijkheden voorziet met betrekking tot voorwerpen die de gedetineerde bij zijn insluiting in de gevangenis bij zich draagt of die hij tijdens zijn verblijf verwerft. Deze voorwerpen worden: hetzij in zijn bezit gelaten, hetzij voor hem in bewaring genomen onder afgifte van een bewijs van ontvangst, hetzij op zijn verzoek uit de gevangenis verwijderd (artikel 45, §1 Basiswet). De Basiswet voorziet niet in een verwijdering uit de gevangenis (laat staan vernietiging), ten gevolge van een eenzijdige beslissing van de directie. De klachtencommissie heeft geen zicht op het aantal kledijstukken dat verwijderd (lees: vernietigd) werd. Dat dit daadwerkelijk gebeurde, blijkt volgens de klachtencommissie wel voldoende uit het antwoord van de directie op het rapportbriefje van klager, evenals het gebrek aan inhoudelijk verweer op dit punt. De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich (opnieuw) over het deponeren van papierwaren die hem per post werden toegezonden. De klacht heeft hetzelfde voorwerp als de klacht van klager in KC32/23-0228. De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing in dat dossier. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet (opnieuw) beoordelen.
Klager beklaagt zich (opnieuw) over het gebrek aan drie maaltijden per dag. De klacht heeft hetzelfde voorwerp als de klacht van klager in KC32/23-0228. De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing in dat dossier. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet (opnieuw) beoordelen.
Klager beklaagt zich over het gebrek aan een volledige inventaris van gedeponeerde voorwerpen. De klachtencommissie besliste in KC32/23-0111 dat de directie een volledige inventaris van bewaargeving moest overmaken. Intussen ontving klager de inventaris, doch hij acht ze gebrekkig. De klacht in het voorliggend dossier handelt dan ook over een verzuim om (volledige) uitvoering te geven aan een beslissing van de klachtencommissie. De klachtencommissie beaamt hetgeen klager in zijn klacht aanvoert, namelijk dat de inventaris zeer gebrekkig werd opgesteld. Uit het bijgevoegde afschrift blijkt dat er inderdaad niet verwezen wordt naar concrete aantallen van bepaalde voorwerpen. Er wordt verwezen naar integrale dozen, zonder dat de inhoud van deze dozen nauwkeurig wordt opgesomd. De klacht is gegrond. De directie moet klager binnen de 14 dagen een bijgewerkte (gedetailleerde) inventaris van zijn gedeponeerde voorwerpen bezorgen.
Klager beklaagt zich (opnieuw) over het niet-terugkrijgen van betalingsopdrachten. De klacht heeft hetzelfde voorwerp als de klacht van klager in KC32/23-0220. De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing in dat dossier. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet (opnieuw) beoordelen.
Klager beklaagt zich over het feit dat hij naar eigen zeggen een bestelformulier van de kantine terugkrijgt met als antwoord dat hij een nieuw formulier moet aanvragen. De klachtencommissie stelt vast dat klager er door het personeel gewoon op gewezen werd dat hij een nieuw formulier moet gebruiken. De klachtencommissie kan in het schrijven van klager geen beslissing door of namens de directeur ontwaren. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager voert aan dat hij op de dag van de personeelsstaking (12 januari 2024) niet mocht wandelen. Artikel 17 van de Wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel bepaalt: “Teneinde de veiligheid en de gezondheid van de opgesloten personen te verzekeren, wordt tijdens de gehele duur van de staking minstens op dagelijkse basis erin voorzien dat elke gedetineerde: (…) 4° de mogelijkheid heeft om minstens één uur in open lucht te vertoeven;” De klachtencommissie herhaalt dat de directie de nodige maatregelen dient te nemen voor de minimale dienstverlening in het geval van een staking. In geval van stakingen van minder dan 48 uur moet de directie een beroep doen op bereidwillige personeelsleden, politiediensten en mensen van de civiele bescherming. De ministeriële omzendbrief nr. 1819 verduidelijkt dat het personeel van de politiediensten of de civiele bescherming niet ingezet kunnen worden om de minimale diensten, bepaald in artikel 17 van de wet van 23 maart 2019, te verlenen. In het voorliggend dossier ging het om een staking van 24u. De door de directie vertrouwelijk aangeleverde cijfergegevens tonen aan dat er onvoldoende personeel aanwezig was om de wandeling op een veilige manier te organiseren. Een situatie van overmacht werd dan ook aangetoond, zodat er volgens de klachtencommissie niet besloten kan worden tot een verzuim in hoofde van de directie. De klacht is ongegrond.
Klager diende verschillende aanvragen ‘openbaarheid van bestuur’ in, waar geen enkel gevolg aan werd gegeven. Klager wijst op de behandelingstermijn van 30 dagen en de bijkomende termijn van 15 dagen mits motivering, die allebei ruimschoots verstreken waren op het moment van indiening van zijn klacht. Zijn recht op inzage en afschrift wordt dan ook aangetast. Aangezien de directie in haar verweer niet betwist dat klager op de door hem geciteerde data een aanvraag inzake openbaarheid van bestuur deed, meent de klachtencommissie dat hetgeen klager aanvoert omtrent de 6 openstaande aanvragen voor waar kan worden aangenomen. Zelfs indien de directie de aanvraag van klager onduidelijk vond, had ze hier alsnog binnen een termijn van dertig dagen op moeten reageren (indien zij dit opportuun vond, met een beslissing tot afwijzing). De directie liet echter na om binnen de wettelijk voorziene termijn een beslissing (eender welke) ten aanzien van klager te nemen. Er is in het voorliggend dossier dan ook sprake van een verzuim om te antwoorden op de aanvragen van klager. De klacht is gegrond. Teneinde de gevolgen van dit verzuim ongedaan te maken moet de directie binnen de 7 dagen een beslissing nemen inzake de 6 openstaande aanvragen van klager van november 2023 tot inzage en kopiename uit zijn opsluitingsdossier (voor zover dit intussen nog niet gebeurd zou zijn).
Klager klaagt over het gegeven dat men een deel van zijn kledij heeft weggegooid in plaats van gedeponeerd. De directie liet hem weten dat het formulier duidelijk vermeldt dat bij het binnenbrengen van nieuwe kledij oude kledij uit de inrichting moet verwijderd worden teneinde het aantal stuks kledij zoals omschreven door het huishoudelijk reglement te respecteren. Volgens klager hoort deze regel in het huishoudelijk reglement zelf te staan. De klachtencommissie stelt vast dat de Basiswet slechts drie mogelijkheden voorziet met betrekking tot voorwerpen die de gedetineerde bij zijn insluiting in de gevangenis bij zich draagt of die hij tijdens zijn verblijf verwerft. Deze voorwerpen worden: hetzij in zijn bezit gelaten, hetzij voor hem in bewaring genomen onder afgifte van een bewijs van ontvangst, hetzij op zijn verzoek uit de gevangenis verwijderd (artikel 45, §1 Basiswet). De Basiswet voorziet niet in een verwijdering uit de gevangenis (laat staan vernietiging), ten gevolge van een eenzijdige beslissing van de directie. De klachtencommissie heeft geen zicht op het aantal kledijstukken dat verwijderd (lees: vernietigd) werd. Dat dit daadwerkelijk gebeurde, blijkt volgens de klachtencommissie wel voldoende uit het antwoord van de directie op het rapportbriefje van klager, evenals het gebrek aan inhoudelijk verweer op dit punt. De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich (opnieuw) over het deponeren van papierwaren die hem per post werden toegezonden. De klacht heeft hetzelfde voorwerp als de klacht van klager in KC32/23-0228. De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing in dat dossier. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet (opnieuw) beoordelen.
Klager beklaagt zich (opnieuw) over het gebrek aan drie maaltijden per dag. De klacht heeft hetzelfde voorwerp als de klacht van klager in KC32/23-0228. De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing in dat dossier. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet (opnieuw) beoordelen.
Klager beklaagt zich over het gebrek aan een volledige inventaris van gedeponeerde voorwerpen. De klachtencommissie besliste in KC32/23-0111 dat de directie een volledige inventaris van bewaargeving moest overmaken. Intussen ontving klager de inventaris, doch hij acht ze gebrekkig. De klacht in het voorliggend dossier handelt dan ook over een verzuim om (volledige) uitvoering te geven aan een beslissing van de klachtencommissie. De klachtencommissie beaamt hetgeen klager in zijn klacht aanvoert, namelijk dat de inventaris zeer gebrekkig werd opgesteld. Uit het bijgevoegde afschrift blijkt dat er inderdaad niet verwezen wordt naar concrete aantallen van bepaalde voorwerpen. Er wordt verwezen naar integrale dozen, zonder dat de inhoud van deze dozen nauwkeurig wordt opgesomd. De klacht is gegrond. De directie moet klager binnen de 14 dagen een bijgewerkte (gedetailleerde) inventaris van zijn gedeponeerde voorwerpen bezorgen.
Klager beklaagt zich (opnieuw) over het niet-terugkrijgen van betalingsopdrachten. De klacht heeft hetzelfde voorwerp als de klacht van klager in KC32/23-0220. De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing in dat dossier. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet (opnieuw) beoordelen.
Klager beklaagt zich over het feit dat hij naar eigen zeggen een bestelformulier van de kantine terugkrijgt met als antwoord dat hij een nieuw formulier moet aanvragen. De klachtencommissie stelt vast dat klager er door het personeel gewoon op gewezen werd dat hij een nieuw formulier moet gebruiken. De klachtencommissie kan in het schrijven van klager geen beslissing door of namens de directeur ontwaren. De klacht is niet-ontvankelijk.