Ga verder naar de inhoud

KC32/23-0158

Fondée KC - Turnhout Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - CAMERABEELDEN - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op een RAD (dat handelt over camerabeelden van een incident waarbij er vanuit twee cellen voorwerpen naar buiten werden gegooid), evenals de verklaringen van klager hierover ter tuchtzitting. Ter tuchtzitting werden de camerabeelden zelf ook nog eens bekeken.

De klachtencommissie vindt het opmerkelijk dat, hoewel de camerabeelden volgens de directie hier ‘duidelijk’ over zijn, het RAD dat erover werd opgesteld helemaal niet zo duidelijk was over ieders aandeel. De klachtencommissie benadrukt het belang van een zo volledig mogelijk RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van de camerabeelden (brandende voorwerpen naar buiten gooien) en de verklaringen van klager (erkenning van het roepen).

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende twee elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.