KC32/23-0105
Non fondée
Fondée
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
Er werd een voorlopige maatregel opgelegd wegens ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Er werd verwezen naar de betrokkenheid van klager bij het oprapen en verdelen van pakketten met vermoedelijk verboden substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat uit de verwijzing naar deze feiten blijkt dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Ze vindt het dan ook redelijk dat de directie op basis daarvan overging tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten gevolge waarvan klager verplicht in de hem toegewezen verblijfsruimte moest verblijven. De klacht is ongegrond
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD én de camerabeelden die ter tuchtzitting in het bijzijn van klager bekeken werden. De klachtencommissie oordeelt dat de directie in het voorliggend dossier aan zorgvuldige feitenvinding deed door het herbekijken van de camerabeelden en acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet) en het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden (artikel 130, 4° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Dat klager de dader van de feiten was werd volgens de klachtencommissie voldoende gemotiveerd. De redenering die de directie daarbij uiteenzette, ondanks de betwisting van klager dat hij niet de persoon op de camerabeelden is, doorstaat de toets van de redelijkheid. De directie motiveerde echter op geen enkele wijze waarom ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. De motivering van de tuchtbeslissing voldoet dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. Klager krijgt géén tegemoetkoming aangezien hij aangaf dit niet te willen.
Er werd een voorlopige maatregel opgelegd wegens ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Er werd verwezen naar de betrokkenheid van klager bij het oprapen en verdelen van pakketten met vermoedelijk verboden substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat uit de verwijzing naar deze feiten blijkt dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Ze vindt het dan ook redelijk dat de directie op basis daarvan overging tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten gevolge waarvan klager verplicht in de hem toegewezen verblijfsruimte moest verblijven. De klacht is ongegrond
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD én de camerabeelden die ter tuchtzitting in het bijzijn van klager bekeken werden. De klachtencommissie oordeelt dat de directie in het voorliggend dossier aan zorgvuldige feitenvinding deed door het herbekijken van de camerabeelden en acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet) en het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden (artikel 130, 4° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Dat klager de dader van de feiten was werd volgens de klachtencommissie voldoende gemotiveerd. De redenering die de directie daarbij uiteenzette, ondanks de betwisting van klager dat hij niet de persoon op de camerabeelden is, doorstaat de toets van de redelijkheid. De directie motiveerde echter op geen enkele wijze waarom ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. De motivering van de tuchtbeslissing voldoet dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. Klager krijgt géén tegemoetkoming aangezien hij aangaf dit niet te willen.