TUCHT - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - DERDEN
De tuchtbeslissing is enigszins dubbelzinnig over de feiten waarvoor klager nu gesanctioneerd werd, aangezien zowel de vaststellingen omtrent het stuk metaal als de USB-kabel worden aangehaald. Ook in hoofde van klager bestaat hieromtrent onduidelijkheid, gelet op het feit dat hij het in zijn klacht opnieuw over beide voorwerpen heeft. Uit de gehele motivering van de tuchtbeslissing meent de klachtencommissie echter te kunnen besluiten dat klager niet gesanctioneerd werd voor het stuk metaal, aangezien hieromtrent niets gemotiveerd werd. Uit KC32/23-0082 weet de klachtencommissie bovendien dat de celgenoot van klager het bezit van het stuk metaal bekende en hiervoor gesanctioneerd werd.
De directie schrijft het bezit van de USB-kabel op basis van 3 elementen toe aan klager:
(1) De USB-kabel werd in zijn verblijfsruimte aangetroffen. Dit element is op zich onvoldoende, aangezien het een meerpersoonscel betreft.
(2) Twee weken voordien werd er een USB-stick bij hem aangetroffen. Een USB-stick en een USB-kabel zijn twee totaal verschillende voorwerpen.
(3) Betrokkene deed ter tuchtzitting uitspraken die niet blijken te kloppen. De directie acht de mondelinge verdediging van betrokkene niet waarheidsgetrouw omdat zijn verhaal niet overeenstemt met de verklaringen van zijn celgenoot.
Hetgeen klager zegt, getuigt volgens de klachtencommissie niet noodzakelijk van tegenstrijdigheid of minder geloofwaardigheid dan hetgeen zijn celgenoot verklaarde. Dat de ene celgenoot beweert dat hij het stuk metaal gebruikt om kruimels te verwijderen, wil nog niet zeggen dat (1) diens verklaring waar is, (2) indien waar, klager hem dit al heeft zien doen en (3) indien niet waar, het aan klager toekomt om te verklaren waarvoor de celgenoot dit gebruikt (bv. doorgeven van voorwerpen). Uit KC32/23-0082 weet de klachtencommissie dat de directie ook geen geloofwaardigheid hechtte aan de verklaring van de celgenoot. Het is dan ook opmerkelijk dat de directie besluit tot ongeloofwaardigheid van klager omdat zijn verhaal niet overeenstemt met een verhaal dat door de directie ook niet geloofd wordt. Volgens de klachtencommissie kan dan ook niet in alle redelijkheid besloten worden dat hetgeen klager (over het stuk metaal) zegt “niet waarheidsgetrouw” is of dat zijn uitspraken “niet blijken te kloppen”. De navolgende redenering dat zijn ontkenning inzake de USB-kabel (waar niet verder op wordt ingegaan ter tuchtzitting) dan ook wel niet waarheidsgetrouw zal zijn, acht de klachtencommissie eveneens onredelijk. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
De tuchtbeslissing is enigszins dubbelzinnig over de feiten waarvoor klager nu gesanctioneerd werd, aangezien zowel de vaststellingen omtrent het stuk metaal als de USB-kabel worden aangehaald. Ook in hoofde van klager bestaat hieromtrent onduidelijkheid, gelet op het feit dat hij het in zijn klacht opnieuw over beide voorwerpen heeft. Uit de gehele motivering van de tuchtbeslissing meent de klachtencommissie echter te kunnen besluiten dat klager niet gesanctioneerd werd voor het stuk metaal, aangezien hieromtrent niets gemotiveerd werd. Uit KC32/23-0082 weet de klachtencommissie bovendien dat de celgenoot van klager het bezit van het stuk metaal bekende en hiervoor gesanctioneerd werd.
De directie schrijft het bezit van de USB-kabel op basis van 3 elementen toe aan klager:
(1) De USB-kabel werd in zijn verblijfsruimte aangetroffen. Dit element is op zich onvoldoende, aangezien het een meerpersoonscel betreft.
(2) Twee weken voordien werd er een USB-stick bij hem aangetroffen. Een USB-stick en een USB-kabel zijn twee totaal verschillende voorwerpen.
(3) Betrokkene deed ter tuchtzitting uitspraken die niet blijken te kloppen. De directie acht de mondelinge verdediging van betrokkene niet waarheidsgetrouw omdat zijn verhaal niet overeenstemt met de verklaringen van zijn celgenoot.
Hetgeen klager zegt, getuigt volgens de klachtencommissie niet noodzakelijk van tegenstrijdigheid of minder geloofwaardigheid dan hetgeen zijn celgenoot verklaarde. Dat de ene celgenoot beweert dat hij het stuk metaal gebruikt om kruimels te verwijderen, wil nog niet zeggen dat (1) diens verklaring waar is, (2) indien waar, klager hem dit al heeft zien doen en (3) indien niet waar, het aan klager toekomt om te verklaren waarvoor de celgenoot dit gebruikt (bv. doorgeven van voorwerpen). Uit KC32/23-0082 weet de klachtencommissie dat de directie ook geen geloofwaardigheid hechtte aan de verklaring van de celgenoot. Het is dan ook opmerkelijk dat de directie besluit tot ongeloofwaardigheid van klager omdat zijn verhaal niet overeenstemt met een verhaal dat door de directie ook niet geloofd wordt. Volgens de klachtencommissie kan dan ook niet in alle redelijkheid besloten worden dat hetgeen klager (over het stuk metaal) zegt “niet waarheidsgetrouw” is of dat zijn uitspraken “niet blijken te kloppen”. De navolgende redenering dat zijn ontkenning inzake de USB-kabel (waar niet verder op wordt ingegaan ter tuchtzitting) dan ook wel niet waarheidsgetrouw zal zijn, acht de klachtencommissie eveneens onredelijk. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.