KC32/23-0091
Fondée
Compensation
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID - SANCTIE - TEGEMOETKOMING
In de RAD’s worden samengevat drie vermeende feiten beschreven:
- vechtpartij met celgenoot
- celgenoot verklaart dat klager een mes op zijn keel zette
- klager riep door het raam op om zijn celgenoot aan te pakken op de wandeling
De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing onnauwkeurig op een aantal punten. In het verslag van de tuchtzitting wordt gesteld: “Bekent de feiten.” De klachtencommissie vindt dit erg onvolledig geformuleerd, nu het blijkens de rest van het verslag enkel het feit van de vechtpartij betreft, waarbij de bewering inzake het mes betwist wordt. Ook het roepen aan het raam wordt door klager betwist.
Vervolgens wordt in de tuchtbeslissing dan ook overgenomen (letterlijke weergave): “Betrokkene maakt zich schuldig aan Betrokkene bekent de feiten.”. Er wordt niet gespecificeerd aan welke inbreuk klager zich schuldig maakt, noch waar “de feiten” op slaat. Uit de volgende zin (“In het RAD werd vastgesteld dat beide heren een groot aandeel speelden in de totstandkoming van het gevecht.”) kan enkel afgeleid worden dat het minstens de vechtpartij betreft. Of ook de andere elementen uit de RAD’s weerhouden werden, is daarbij niet duidelijk. De motivering is dus onvoldoende duidelijk met betrekking tot de feiten waarvoor klager gesanctioneerd werd. Dat beide heren “een groot aandeel speelden in de totstandkoming” leest de klachtencommissie bovendien niet in het (zeer summiere) RAD. Uit het RAD kan enkel besloten worden dat er sprake was van een vechtpartij. De motivering vindt op dit punt dan ook géén ondersteuning in het RAD waarnaar verwezen wordt.
Bij de motivering omtrent de toerekenbaarheid stelt de directie in het tweede punt dat het verweer van klager tijdens de hoorzitting helder en coherent is. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen (zie ook: BC/22-0005; BC/22-0007; BC/22-0019). Met hetgeen ze in het tweede punt aanhaalt, spreekt de directie zich enkel uit over de toestand van klager ter tuchtzitting, en dus niet over diens toestand op het moment van de feiten.
In het eerste punt verwijst de directie naar de toestand van klager zoals af te leiden uit het RAD. Hiermee spreekt ze zich terecht uit over de toestand van klager op het moment van de feiten. Dat klager op dat ogenblik ‘coherent was’, valt volgens de klachtencommissie echter helemaal niet af te leiden uit het RAD. De motivering vindt op dit punt dus eveneens géén ondersteuning in het RAD waarnaar verwezen wordt.
De klachtencommissie wijst bijkomend op de onzorgvuldigheid inzake de sanctie. Hoewel klager 21 dagen ATV kreeg (mondeling uitgesproken) en dit ook hernomen werd in de tabel op de tuchtbeslissing, werd er in de schriftelijke motivering melding gemaakt van een sanctie van 20 dagen ATV. In haar schriftelijk verweer spreekt de directie over een “verrekening” van de voorlopige maatregel. De klachtencommissie stelt op basis van het tuchtregister echter vast dat de voorlopige maatregel van 14 tot 17 mei liep (dus: méér dan 1 dag). De verrekening kan dus niet het verschil tussen 20 en 21 dagen verklaren.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt een tegemoetkoming van een extra douche.
In de RAD’s worden samengevat drie vermeende feiten beschreven:
- vechtpartij met celgenoot
- celgenoot verklaart dat klager een mes op zijn keel zette
- klager riep door het raam op om zijn celgenoot aan te pakken op de wandeling
De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing onnauwkeurig op een aantal punten. In het verslag van de tuchtzitting wordt gesteld: “Bekent de feiten.” De klachtencommissie vindt dit erg onvolledig geformuleerd, nu het blijkens de rest van het verslag enkel het feit van de vechtpartij betreft, waarbij de bewering inzake het mes betwist wordt. Ook het roepen aan het raam wordt door klager betwist.
Vervolgens wordt in de tuchtbeslissing dan ook overgenomen (letterlijke weergave): “Betrokkene maakt zich schuldig aan Betrokkene bekent de feiten.”. Er wordt niet gespecificeerd aan welke inbreuk klager zich schuldig maakt, noch waar “de feiten” op slaat. Uit de volgende zin (“In het RAD werd vastgesteld dat beide heren een groot aandeel speelden in de totstandkoming van het gevecht.”) kan enkel afgeleid worden dat het minstens de vechtpartij betreft. Of ook de andere elementen uit de RAD’s weerhouden werden, is daarbij niet duidelijk. De motivering is dus onvoldoende duidelijk met betrekking tot de feiten waarvoor klager gesanctioneerd werd. Dat beide heren “een groot aandeel speelden in de totstandkoming” leest de klachtencommissie bovendien niet in het (zeer summiere) RAD. Uit het RAD kan enkel besloten worden dat er sprake was van een vechtpartij. De motivering vindt op dit punt dan ook géén ondersteuning in het RAD waarnaar verwezen wordt.
Bij de motivering omtrent de toerekenbaarheid stelt de directie in het tweede punt dat het verweer van klager tijdens de hoorzitting helder en coherent is. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen (zie ook: BC/22-0005; BC/22-0007; BC/22-0019). Met hetgeen ze in het tweede punt aanhaalt, spreekt de directie zich enkel uit over de toestand van klager ter tuchtzitting, en dus niet over diens toestand op het moment van de feiten.
In het eerste punt verwijst de directie naar de toestand van klager zoals af te leiden uit het RAD. Hiermee spreekt ze zich terecht uit over de toestand van klager op het moment van de feiten. Dat klager op dat ogenblik ‘coherent was’, valt volgens de klachtencommissie echter helemaal niet af te leiden uit het RAD. De motivering vindt op dit punt dus eveneens géén ondersteuning in het RAD waarnaar verwezen wordt.
De klachtencommissie wijst bijkomend op de onzorgvuldigheid inzake de sanctie. Hoewel klager 21 dagen ATV kreeg (mondeling uitgesproken) en dit ook hernomen werd in de tabel op de tuchtbeslissing, werd er in de schriftelijke motivering melding gemaakt van een sanctie van 20 dagen ATV. In haar schriftelijk verweer spreekt de directie over een “verrekening” van de voorlopige maatregel. De klachtencommissie stelt op basis van het tuchtregister echter vast dat de voorlopige maatregel van 14 tot 17 mei liep (dus: méér dan 1 dag). De verrekening kan dus niet het verschil tussen 20 en 21 dagen verklaren.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt een tegemoetkoming van een extra douche.