KC32/23-0077
Non fondée
Irrecevable
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - MOTIVERING - SANCTIE - BEVOEGDHEID
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in de RAD’s van 28 april 2023 en 30 april 2023 en de twee RAD’s van 2 mei 2023.
Ter tuchtzitting voeren klager en zijn advocaat geen tegenaanwijzingen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. De advocaat stelt meermaals dat een en ander aan het “Nederlands temperament” van klager te wijten is en dat hij over een aantal zaken gefrustreerd is. De feiten lijken hiermee eerder erkend dan weerlegd te worden.
In zijn klacht betwist klager het opsparen van de medicatie en het zwaaien met de armen. Inzake de medicatie voegt klager een medisch verslag bij van een urinetest op datum van 1 april 2023. De klachtencommissie merkt op dat klager niet gesanctioneerd werd voor drugsgebruik, doch enkel voor het opsparen van medicatie (inbreuk op het huishoudelijk reglement). Een negatieve urinetest is dan ook niet van die aard om de geloofwaardigheid van het RAD inzake de opgespaarde medicatie te weerleggen. Bovendien werd deze urinetest niet aangehaald op de tuchtzitting, zodat de directie er sowieso geen rekening mee kon houden bij het nemen van haar beslissing.
Inzake het zwaaien met de armen roept klager op om de camerabeelden te bekijken. De klachtencommissie merkt op dat dit ter tuchtzitting niet werd gevraagd. Toen bracht klager een verhaal van geviseerd te worden door de PA.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de materiële vaststellingen zoals beschreven in de diverse RAD’s bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet), het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en twee inbreuken van de tweede categorie. Klager kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de veelheid aan feiten, zeer redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager klaagt voorts nog over een aantal oude tuchtbeslissingen. De klachtencommissie deed hierover reeds definitief uitspraak in haar beslissingen in KC32/23-0042 en KC32/23-0052. Zij kan zich hier niet opnieuw over uitspreken. De klacht is dan ook onontvankelijk.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in de RAD’s van 28 april 2023 en 30 april 2023 en de twee RAD’s van 2 mei 2023.
Ter tuchtzitting voeren klager en zijn advocaat geen tegenaanwijzingen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. De advocaat stelt meermaals dat een en ander aan het “Nederlands temperament” van klager te wijten is en dat hij over een aantal zaken gefrustreerd is. De feiten lijken hiermee eerder erkend dan weerlegd te worden.
In zijn klacht betwist klager het opsparen van de medicatie en het zwaaien met de armen. Inzake de medicatie voegt klager een medisch verslag bij van een urinetest op datum van 1 april 2023. De klachtencommissie merkt op dat klager niet gesanctioneerd werd voor drugsgebruik, doch enkel voor het opsparen van medicatie (inbreuk op het huishoudelijk reglement). Een negatieve urinetest is dan ook niet van die aard om de geloofwaardigheid van het RAD inzake de opgespaarde medicatie te weerleggen. Bovendien werd deze urinetest niet aangehaald op de tuchtzitting, zodat de directie er sowieso geen rekening mee kon houden bij het nemen van haar beslissing.
Inzake het zwaaien met de armen roept klager op om de camerabeelden te bekijken. De klachtencommissie merkt op dat dit ter tuchtzitting niet werd gevraagd. Toen bracht klager een verhaal van geviseerd te worden door de PA.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de materiële vaststellingen zoals beschreven in de diverse RAD’s bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet), het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en twee inbreuken van de tweede categorie. Klager kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de veelheid aan feiten, zeer redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager klaagt voorts nog over een aantal oude tuchtbeslissingen. De klachtencommissie deed hierover reeds definitief uitspraak in haar beslissingen in KC32/23-0042 en KC32/23-0052. Zij kan zich hier niet opnieuw over uitspreken. De klacht is dan ook onontvankelijk.