TUCHT - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - SANCTIE
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD van 12 maart 2023 evenals vermoedens inzake de manier waarop (foto’s van) eerdere klachtenformulieren werden overgemaakt.
Klager voert in zijn klacht aan dat hij ter tuchtzitting niet de kans kreeg om zich te verweren. De klachtencommissie stelt vast dat klager de feiten tijdens de tuchtzitting betwiste met hetzelfde argument dat hij ook in zijn klacht aanvoert. Klager wijst met name de derde celgenoot aan als eigenaar van de GSM. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat klager ter tuchtzitting voldoende gehoord werd in zijn verweermiddelen.
Klager voert in zijn klacht aan dat de derde celgenoot gehoord werd in zijn afwezigheid. Artikel 144 §5, laatste lid Basiswet bepaalt dat het horen van getuigen in aanwezigheid van de gedetineerde dient plaats te vinden. Uit de motivering blijkt echter geenszins dat de directie bij het nemen van de tuchtbeslissing rekening heeft gehouden met verklaringen van een medegedetineerde. Ook uit het verslag van de tuchtzitting blijkt dat de directie volledig is voortgegaan op de inhoud van het RAD. De directie stelt expliciet dat ze het niet nodig acht om getuigen te horen. Er kan volgens de klachtencommissie dan ook niet besloten worden tot een schending van de rechten van klager die aanleiding moet geven tot de nietigheid van de tuchtbeslissing.:
De klachtencommissie wijst erop dat het niet aan haar toekomt om aan feitenvinding te doen. De klachtencommissie dient enkel na te gaan of de directeur, met de gegevens die hem voorlagen, de feiten in redelijkheid voor bewezen kon houden. Volgens de klachtencommissie motiveerde de directie afdoende waarom zij geen geloof hechtte aan het argument inzake de derde celgenoot. De redenering die de directie opbouwt om de feiten bewezen te achten en de feiten aan klager toe te rekenen, gaat volgens de klachtencommissie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD van 12 maart 2023 evenals vermoedens inzake de manier waarop (foto’s van) eerdere klachtenformulieren werden overgemaakt.
Klager voert in zijn klacht aan dat hij ter tuchtzitting niet de kans kreeg om zich te verweren. De klachtencommissie stelt vast dat klager de feiten tijdens de tuchtzitting betwiste met hetzelfde argument dat hij ook in zijn klacht aanvoert. Klager wijst met name de derde celgenoot aan als eigenaar van de GSM. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat klager ter tuchtzitting voldoende gehoord werd in zijn verweermiddelen.
Klager voert in zijn klacht aan dat de derde celgenoot gehoord werd in zijn afwezigheid. Artikel 144 §5, laatste lid Basiswet bepaalt dat het horen van getuigen in aanwezigheid van de gedetineerde dient plaats te vinden. Uit de motivering blijkt echter geenszins dat de directie bij het nemen van de tuchtbeslissing rekening heeft gehouden met verklaringen van een medegedetineerde. Ook uit het verslag van de tuchtzitting blijkt dat de directie volledig is voortgegaan op de inhoud van het RAD. De directie stelt expliciet dat ze het niet nodig acht om getuigen te horen. Er kan volgens de klachtencommissie dan ook niet besloten worden tot een schending van de rechten van klager die aanleiding moet geven tot de nietigheid van de tuchtbeslissing.:
De klachtencommissie wijst erop dat het niet aan haar toekomt om aan feitenvinding te doen. De klachtencommissie dient enkel na te gaan of de directeur, met de gegevens die hem voorlagen, de feiten in redelijkheid voor bewezen kon houden. Volgens de klachtencommissie motiveerde de directie afdoende waarom zij geen geloof hechtte aan het argument inzake de derde celgenoot. De redenering die de directie opbouwt om de feiten bewezen te achten en de feiten aan klager toe te rekenen, gaat volgens de klachtencommissie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.