Ga verder naar de inhoud

KC32/23-0010

Fondée KC - Turnhout Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - TOEREKENBAARHEID - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING

Afgaande op het RAD was er sprake van twee bevelen: klager werd gevraagd op zijn cel te blijven en hij werd gevraagd de groene emmer af te geven en in de plaats daarvan de zwarte aan te nemen. Klager ontkende de feiten ter tuchtzitting niet, maar gaf aan waarom hij boos werd. De klachtencommissie trekt geenszins in twijfel dat de feiten hebben plaatsgevonden. Er was wel degelijk sprake van bevelen van het personeel die niet gevolgd werden.

De directie kwalificeerde de feiten als de inbreuk van het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht die kwalificatie correct voor wat betreft het gegeven dat klager geen gevolg gaf aan het bevel om op zijn cel te blijven. De klachtencommissie is echter niet van oordeel dat de weigering om de groene emmer in te ruilen tegen de zwarte emmer als een tuchtfeit kan worden aangemerkt. Gelet op het gegeven dat het water (minstens gedeeltelijk) bestemd was voor consumptie (drinken noodzakelijk om zijn eten door te kunnen slikken) acht ze het onredelijk dat dit water in een emmer werd aangeleverd en a fortiori in een emmer bestemd om de cellen te poetsen. Volgens de klachtencommissie was er sprake van een onwettig bevel nu het aanbieden van drinkwater in een poetsemmer een onmenselijke behandeling uitmaakt in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het was dan ook begrijpelijk dat klager geen gevolg gaf aan dit bevel. Het geen gevolg geven aan een onwettig bevel kan niet gekwalificeerd worden als een tuchtinbreuk.

Voor wat betreft het aspect van de tuchtinbreuk dat wel overeind kon blijven (het geen gevolg geven aan het bevel om op zijn cel te blijven) stelt zich alsnog het probleem van de toerekenbaarheid. De tweede component van artikel 144 §6 Basiswet, namelijk de vraag of de tuchtrechtelijke inbreuk ook aan de gedetineerde kan worden toegerekend, vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk een geïnterneerde is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie op geen enkele wijze waarom ze klager verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.