Ga verder naar de inhoud

KC32/22-0134

Fondée KC - Turnhout Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - MOTIVERING - BIJSTAND ADVOCAAT - FOUILLE LICHAAM

Artikel 144 §4 Basiswet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat. De wet specificeert daarbij niet dat dit per se de advocaat naar keuze van de gedetineerde moet zijn. Hoewel dit volgens de klachtencommissie natuurlijk wenselijk is, zag de directie er in het voorliggend dossier op toe dat klager in elk geval bijstand kon krijgen door een advocaat. Klager kreeg tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting de kans om zijn kant van het verhaal te doen. Bovendien had hij, indien hij een en ander niet mondeling wenste toe te lichten in afwezigheid van zijn eigen advocaat, ook schriftelijk zijn verweermiddelen ter kennis kunnen brengen (artikel 144 §5, vierde lid Basiswet). Klager koos er echter voor om zich inhoudelijk niet te verdedigen maar stelde geen commentaar te hebben en de beslissing gewoon te zullen tekenen. Er is volgens de klachtencommissie dan ook géén sprake van een schending van de rechten van verdediging van klager.

De directeur heeft zich voor het bewijs van de feiten enkel gebaseerd op het RAD, dat beschrijft hoe de gsm in de broek van klager ontdekt werd. De klachtencommissie stelt vast dat de ontdekking van de gsm schijnbaar gebeurde naar aanleiding van een (begin van uitvoering van) een fouille op het lichaam. De klachtencommissie stelt vast dat het RAD geen melding maakt van enig contact met de directie voorafgaand aan de fouille op het lichaam. Het gegeven dat er daarnaast geen beslissing tot fouille op het lichaam kon worden teruggevonden in het dossier sterkt de klachtencommissie in haar overtuiging dat er in het voorliggend dossier in feite sprake was van een onwettige fouille. Een onwettige fouille op het lichaam corrumpeert alles wat eruit volgt . Een tuchtbeslissing kan dan ook niet overeind blijven indien ze (enkel) gebaseerd is op vondsten tijdens een onwettige fouille op het lichaam, zonder dat er daarnaast andere (rechtmatig verkregen) elementen zijn op basis waarvan de beslissing kon genomen worden. In voorliggend dossier was de vondst van de gsm naar aanleiding van het (begin van uitvoering van) de onwettige fouille op het lichaam het enige bewijselement waar de directie haar tuchtbeslissing op baseerde. De motivering van de tuchtbeslissing luidt immers: “In de broek van betrokkene wordt een GSM gevonden.”. Er was geen sprake van andere rechtmatig verkregen bewijselementen. De tuchtbeslissing kan dan ook niet overeind blijven. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.