KC32/22-0123
Fondée
Compensation
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - TEGEMOETKOMING
In de voorlopige maatregel werd artikel 145 §1, eerste lid Basiswet (opzettelijke aantasting van de interne veiligheid) aangekruist. Vervolgens werd er enkel verwezen naar het RAD van 20 september 2022. In welke zin de daarin opgenomen vaststellingen een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaken, werd op geen enkele wijze gemotiveerd. De beslissing is strijdig met artikel 145 §1 j° artikel 8 Basiswet. Bovendien werd er zowel een afzondering in de toegewezen verblijfsruimte als een plaatsing op een beveiligde cel aangekruist, hetgeen conflicteert. Tot slot gebeurde de ondertekening van de voorlopige maatregel ook niet conform de instructies van CB 124 van 6 september 2013 betreffende het tuchtregime van gedetineerden. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kent de klachtencommissie één extra videobezoek toe aan klager.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten kwalificeerde als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten een zeer moeilijke beoordeling is die volgens haar niet op adequate wijze door de directie kan gebeuren, nu er ontegensprekelijk een medische component mee gemoeid is. De klachtencommissie erkent daarnaast dat artikel 144 §6 Basiswet de eindbeoordeling van de toerekenbaarheid bij de directeur legt. Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt echter dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen. De klachtencommissie meent hiermee géén extra voorwaarde aan de tuchtprocedure ten aanzien van een geïnterneerde toe te voegen, maar stelt dat dit in het voorliggend dossier voortvloeit uit de verplichting van artikel 144 §1 in fine Basiswet. De directie vroeg in voorliggend dossier dan ook terecht om een advies van de arts. Er is géén sprake van een schending van de rechten van verdediging omdat klager het advies niet op voorhand ontving, nu klager en zijn advocate ter tuchtzitting voldoende gewezen werden op het bestaan van het advies en in de mogelijkheid werden gesteld hierover de nodige tegenspraak te voeren.
Hoewel de directie de beoordeling in het voorliggend dossier op een zorgvuldige manier maakte (doordat zij voorafgaand een advies van de arts inwon om hierover op een geïnformeerde wijze te kunnen oordelen), nam zij hierover niets op in de eigenlijke tuchtbeslissing. Hierdoor voldoet de motivering niet aan de vereisten van artikel 144 §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet, in samenhang gelezen met de instructie d.d. 26 april 2021 van DG EPI. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De directie moet binnen de 14 dagen volgend op de betekening van de beslissing een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van deze uitspraak.
In de voorlopige maatregel werd artikel 145 §1, eerste lid Basiswet (opzettelijke aantasting van de interne veiligheid) aangekruist. Vervolgens werd er enkel verwezen naar het RAD van 20 september 2022. In welke zin de daarin opgenomen vaststellingen een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaken, werd op geen enkele wijze gemotiveerd. De beslissing is strijdig met artikel 145 §1 j° artikel 8 Basiswet. Bovendien werd er zowel een afzondering in de toegewezen verblijfsruimte als een plaatsing op een beveiligde cel aangekruist, hetgeen conflicteert. Tot slot gebeurde de ondertekening van de voorlopige maatregel ook niet conform de instructies van CB 124 van 6 september 2013 betreffende het tuchtregime van gedetineerden. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kent de klachtencommissie één extra videobezoek toe aan klager.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten kwalificeerde als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten een zeer moeilijke beoordeling is die volgens haar niet op adequate wijze door de directie kan gebeuren, nu er ontegensprekelijk een medische component mee gemoeid is. De klachtencommissie erkent daarnaast dat artikel 144 §6 Basiswet de eindbeoordeling van de toerekenbaarheid bij de directeur legt. Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt echter dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen. De klachtencommissie meent hiermee géén extra voorwaarde aan de tuchtprocedure ten aanzien van een geïnterneerde toe te voegen, maar stelt dat dit in het voorliggend dossier voortvloeit uit de verplichting van artikel 144 §1 in fine Basiswet. De directie vroeg in voorliggend dossier dan ook terecht om een advies van de arts. Er is géén sprake van een schending van de rechten van verdediging omdat klager het advies niet op voorhand ontving, nu klager en zijn advocate ter tuchtzitting voldoende gewezen werden op het bestaan van het advies en in de mogelijkheid werden gesteld hierover de nodige tegenspraak te voeren.
Hoewel de directie de beoordeling in het voorliggend dossier op een zorgvuldige manier maakte (doordat zij voorafgaand een advies van de arts inwon om hierover op een geïnformeerde wijze te kunnen oordelen), nam zij hierover niets op in de eigenlijke tuchtbeslissing. Hierdoor voldoet de motivering niet aan de vereisten van artikel 144 §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet, in samenhang gelezen met de instructie d.d. 26 april 2021 van DG EPI. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De directie moet binnen de 14 dagen volgend op de betekening van de beslissing een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van deze uitspraak.