TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID
De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie voortging op de vaststellingen in het RAD van 3 juli 2022, deze vaststellingen kwalificeerde als zijnde de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en deze feiten aan klager toerekende. Dat zowel het personeelslid als de directie de uitspraak van klager op de juiste manier geïnterpreteerd hadden bleek ook door de bevestiging van klager hieromtrent ter zitting van de klachtencommissie. De motivering van de inbreuk voldoet aan de vereisten van artikel 8 Basiswet.
De klachtencommissie vindt het echter niet redelijk dat de directie de vaststellingen in het RAD van 3 juli 2022 kwalificeerde als zijnde het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). Het RAD is op dat gebied onvoldoende duidelijk. Er wordt enkel gesproken over ‘commentaar geven’ en ‘zich verbaal weerspannig’ opstellen. De klachtencommissie leest daarbij niet welke concrete bevelen er gegeven zouden zijn die klager ook daadwerkelijk niet heeft opgevolgd. Ter zitting van de klachtencommissie kon de directie hier evenmin een antwoord op geven. Aangezien het als getuige opgeroepen personeelslid niet kwam opdagen kon hieromtrent ook geen duidelijkheid worden bekomen. De directie besloot op basis van het RAD dat klager niet heeft meegewerkt aan de fouille en kwalificeerde de vaststellingen als zijnde het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel. Volgens de klachtencommissie kon ze op basis van de bewoordingen van het RAD niet redelijkerwijs tot deze conclusie komen. De klachtencommissie vindt het opmerkelijk dat er slechts één ondertekenaar van het RAD was (de opsteller), dit terwijl er doorgaans één of meerdere getuigen vermeld worden. Dat er zelfs in dit uitzonderlijk geval niet werd overgegaan tot het oproepen van een getuige ter tuchtzitting (al was het de opsteller van het RAD geweest) vindt de klachtencommissie getuigen van onzorgvuldige feitenvinding in hoofde van de directie. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd met betrekking tot deze inbreuk.
De inbreuk die volgens de klachtencommissie wel weerhouden kon worden, namelijk de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) is een inbreuk van de eerste categorie. Klager kreeg een sanctie van 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en, gelet op de aard van de feiten, redelijk. De opgelegde en reeds ondergane sanctie kan , ondanks het wegvallen van één van de twee inbreuken, behouden blijven.
De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie voortging op de vaststellingen in het RAD van 3 juli 2022, deze vaststellingen kwalificeerde als zijnde de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en deze feiten aan klager toerekende. Dat zowel het personeelslid als de directie de uitspraak van klager op de juiste manier geïnterpreteerd hadden bleek ook door de bevestiging van klager hieromtrent ter zitting van de klachtencommissie. De motivering van de inbreuk voldoet aan de vereisten van artikel 8 Basiswet.
De klachtencommissie vindt het echter niet redelijk dat de directie de vaststellingen in het RAD van 3 juli 2022 kwalificeerde als zijnde het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). Het RAD is op dat gebied onvoldoende duidelijk. Er wordt enkel gesproken over ‘commentaar geven’ en ‘zich verbaal weerspannig’ opstellen. De klachtencommissie leest daarbij niet welke concrete bevelen er gegeven zouden zijn die klager ook daadwerkelijk niet heeft opgevolgd. Ter zitting van de klachtencommissie kon de directie hier evenmin een antwoord op geven. Aangezien het als getuige opgeroepen personeelslid niet kwam opdagen kon hieromtrent ook geen duidelijkheid worden bekomen. De directie besloot op basis van het RAD dat klager niet heeft meegewerkt aan de fouille en kwalificeerde de vaststellingen als zijnde het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel. Volgens de klachtencommissie kon ze op basis van de bewoordingen van het RAD niet redelijkerwijs tot deze conclusie komen. De klachtencommissie vindt het opmerkelijk dat er slechts één ondertekenaar van het RAD was (de opsteller), dit terwijl er doorgaans één of meerdere getuigen vermeld worden. Dat er zelfs in dit uitzonderlijk geval niet werd overgegaan tot het oproepen van een getuige ter tuchtzitting (al was het de opsteller van het RAD geweest) vindt de klachtencommissie getuigen van onzorgvuldige feitenvinding in hoofde van de directie. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd met betrekking tot deze inbreuk.
De inbreuk die volgens de klachtencommissie wel weerhouden kon worden, namelijk de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) is een inbreuk van de eerste categorie. Klager kreeg een sanctie van 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en, gelet op de aard van de feiten, redelijk. De opgelegde en reeds ondergane sanctie kan , ondanks het wegvallen van één van de twee inbreuken, behouden blijven.