TUCHT - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID - KWALIFICATIE INBREUK
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuken gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals beschreven in het RAD van 22 november 2021, alsook de toevoeging die hierin gedaan werd (meldingsverslag). Tijdens de tuchtprocedure stelde klager dat hij een briefje schreef aan het personeel van het BAD om het pakket (met jas en gsm) dat door toedoen van zijn celgenoot op naam van klager zou bezorgd worden terug te sturen. De Klachtencommissie stelt vast dat de directie hieromtrent navraag deed maar dat hierover geen precieze informatie kon worden gegeven door het personeel van het BAD. Het valt de Klachtencommissie op dat klager dit element van het briefje aan het personeel van het BAD niet herneemt in zijn klacht, zodat het wellicht terecht was dat de directie hem bij gebrek aan precieze informatie toch niet het voordeel van de twijfel gaf. De Klachtencommissie is van oordeel dat de directie in alle redelijkheid kon oordelen dat er geen concrete bewijzen of aanwijzingen zijn dat de celgenoot het pakket heeft laten opsturen. De Klachtencommissie voelt zich gesterkt in deze visie door het feit dat klager op het klachtenformulier zelf aangeeft de aanvraag gedaan te hebben tot het binnenbrengen van een jas op vraag van zijn celgenoot, iets wat volgens de Klachtencommissie sowieso een vreemde beslissing was. De Klachtencommissie is van oordeel dat de directie in alle redelijkheid kon oordelen dat de jas en dus de gsm nooit zonder medeweten én medewerking van klager konden binnengesmokkeld worden. Het is waarschijnlijk dat klager op de hoogte was van het plan en hier zijn medewerking aan verleende. De Klachtencommissie acht het aangewezen dat de motivering van de tuchtbeslissing verfijnd wordt op een bepaald punt. Doordat klager de gsm nooit effectief in handen gehad heeft, aangezien het toestel onderschept werd alvorens de jas aan klager werd gegeven, was er in casu sprake van een poging tot het plegen van de inbreuk van artikel 129, 9° van de Basiswet. Dit wordt niet als zodanig aangeven in de motivering. Ook in haar verweer tegen de klacht stelt de directie ongenuanceerd “het binnenbrengen, bezit en gebruik van een gsm…”. De Klachtencommissie wijst erop dat de tuchtinbreuk zoals bepaald in de Basiswet enkel spreekt van bezit en gebruik. Het binnenbrengen van een gsm kan enkel gesanctioneerd worden als zijnde een poging tot bezit. De directie had dit expliciet onder woorden moeten brengen. Door de inbreuk van artikel 129, 9° van de Basiswet zonder meer te verruimen naar “binnenbrengen” komt het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijke niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan die welke omschreven zijn door de wet (artikel 124 van de Basiswet) in het gedrang. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd. De directeur dient binnen een termijn van 7 dagen volgend op de kennisname van de beslissing een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Klachtencommissie.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuken gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals beschreven in het RAD van 22 november 2021, alsook de toevoeging die hierin gedaan werd (meldingsverslag). Tijdens de tuchtprocedure stelde klager dat hij een briefje schreef aan het personeel van het BAD om het pakket (met jas en gsm) dat door toedoen van zijn celgenoot op naam van klager zou bezorgd worden terug te sturen. De Klachtencommissie stelt vast dat de directie hieromtrent navraag deed maar dat hierover geen precieze informatie kon worden gegeven door het personeel van het BAD. Het valt de Klachtencommissie op dat klager dit element van het briefje aan het personeel van het BAD niet herneemt in zijn klacht, zodat het wellicht terecht was dat de directie hem bij gebrek aan precieze informatie toch niet het voordeel van de twijfel gaf. De Klachtencommissie is van oordeel dat de directie in alle redelijkheid kon oordelen dat er geen concrete bewijzen of aanwijzingen zijn dat de celgenoot het pakket heeft laten opsturen. De Klachtencommissie voelt zich gesterkt in deze visie door het feit dat klager op het klachtenformulier zelf aangeeft de aanvraag gedaan te hebben tot het binnenbrengen van een jas op vraag van zijn celgenoot, iets wat volgens de Klachtencommissie sowieso een vreemde beslissing was. De Klachtencommissie is van oordeel dat de directie in alle redelijkheid kon oordelen dat de jas en dus de gsm nooit zonder medeweten én medewerking van klager konden binnengesmokkeld worden. Het is waarschijnlijk dat klager op de hoogte was van het plan en hier zijn medewerking aan verleende. De Klachtencommissie acht het aangewezen dat de motivering van de tuchtbeslissing verfijnd wordt op een bepaald punt. Doordat klager de gsm nooit effectief in handen gehad heeft, aangezien het toestel onderschept werd alvorens de jas aan klager werd gegeven, was er in casu sprake van een poging tot het plegen van de inbreuk van artikel 129, 9° van de Basiswet. Dit wordt niet als zodanig aangeven in de motivering. Ook in haar verweer tegen de klacht stelt de directie ongenuanceerd “het binnenbrengen, bezit en gebruik van een gsm…”. De Klachtencommissie wijst erop dat de tuchtinbreuk zoals bepaald in de Basiswet enkel spreekt van bezit en gebruik. Het binnenbrengen van een gsm kan enkel gesanctioneerd worden als zijnde een poging tot bezit. De directie had dit expliciet onder woorden moeten brengen. Door de inbreuk van artikel 129, 9° van de Basiswet zonder meer te verruimen naar “binnenbrengen” komt het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijke niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan die welke omschreven zijn door de wet (artikel 124 van de Basiswet) in het gedrang. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd. De directeur dient binnen een termijn van 7 dagen volgend op de kennisname van de beslissing een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Klachtencommissie.