Ga verder naar de inhoud

KC25/24-0021

Fondée Irrecevable KC - Oudenaarde Commission des plaintes Mesure provisoire Pas de décision du directeur
PERSONEEL - VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - VERBODEN VOORWERPEN

De klacht betreft een voorlopige maatregel van 29/07/2024 van de directie en een ‘andere beslissing’, met name het feit dat hij geviseerd wordt door beambten en al 6 weken op “strikt” zit op
3 maanden tijd in de gevangenis.

Wat betreft de klacht m.b.t. de ‘andere beslissing’:
Klager dient o.a. een klacht in tegen een ‘andere beslissing’, namelijk dat hij door de beambtengeviseerd wordt en al 6 weken op “strikt” regime zit. De klachtencommissie kan in de klacht van klager geen beslissing van de directeur lezen. Klager verwijst niet naar een bepaalde (tucht)beslissing van de directeur van een bepaalde datum. De klacht kan ook niet gericht zijn tegen de tuchtbeslissing van 31/07/2024, vermits zijn klacht dateert van 29/07/2024. De klacht is om deze redenen niet-ontvankelijk.

Wat betreft de klacht m.b.t. de voorlopige maatregel:
De voorlopige maatregel werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die beschreven worden in het rapport aan de directeur (RAD) van 29/06/2024 (de klachtencommissie vermoedt dat het RAD van
29/07/2024 dateert en niet van de maand juni) (feiten om 09.10 uur). De klachtencommissie stelt vast dat de handtekening van de directeur ontbreekt op de beslissingtot het opleggen van een voorlopige maatregel. Een “Ddpa” heeft het document ondertekend i.o. van de directeur. Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van
een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde, blijkt uit de beschikbare stukken dat de voorlopige maatregel
niet werd bevolen door een directeur, maar door een ander personeelslid. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet.

Bovendien werd klager op ATV geplaatst omdat tijdens een celfouille verboden substantie, contantgeld en opgespaarde medicatie werden aangetroffen. De orde is de toestand “waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis”. De vondst van voormelde goederen hield echter geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid in aangezien noch de fysieke integriteit van personen, noch de goede staat van goederen in gevaar kwam. Zoals reeds werd beslist door de beroepscommissie, houdt dit geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Om deze redenen is de klacht dan ook gegrond.