Ga verder naar de inhoud

KC21/26-0118

Non fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

Het tuchtregime uit de Basiswet is ook van toepassing op geïnterneerden, gelet op het uitblijven van een specifieke regelgeving van hun interne rechtspositie.

De Basiswet stelt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk ‘wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht’.

Deze bepaling benadrukt het belang van de individuele toerekenbaarheid aan de gedetineerde, in die zin dat de directeur eerst moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor bepaalde feiten en of hij/zij op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk wel helder en bewust was. Met andere woorden moet worden nagegaan of de gedetineerde over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte op het moment van de feiten en of hij/zij er bewust voor gekozen heeft om de feiten te stellen. Deze voorafgaande beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerden, zoals hier het geval is. Een geïnterneerde is immers op grond van een beslissing van een rechter - daarin geadviseerd door een forensisch psychiatrisch deskundige - ontoerekeningsvatbaar verklaard, omdat hij/zij ‘op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast’. Eenmaal tot internering werd beslist, moet de psychische problematiek van de geïnterneerde bovendien voldoende uitgesproken zijn om de vrijheidsberoving te kunnen blijven rechtvaardigen.

Naar aanleiding van uitspraken van verschillende klachtencommissies en beide beroepscommissies omtrent tuchtbeslissingen ten aanzien van geïnterneerden, bezorgde het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen op 2 december 2022 instructies aan de lokale gevangenisdirecties omtrent het tuchtregime van geïnterneerde personen. Deze instructies stellen dat, indien de directeur op basis van alle informatie waarover hij/zij beschikt van oordeel is dat de geïnterneerde verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuken, hij/zij in de tuchtbeslissing motiveert waarom hij/zij de persoon verantwoordelijk acht voor zijn daden. Indien de directeur van oordeel is dat die niet over voldoende gegevens beschikt om dit te beoordelen, vraagt de directeur een advies van de PSD-psychiater.

De klachtencommissie is van oordeel dat uit het RAD blijkt dat klager op het moment van de feiten helder en bewust handelde. Nadat bij hem illegale substanties werden aangetroffen, gaf hij spontaan aan om welke substantie het ging en verklaarde hij wanneer hij deze van plan was te gebruiken. Daarnaast beantwoordde hij de gestelde vragen en verklaarde hij dat hij de substantie zelf had binnengebracht en deze reeds enige tijd in zijn bezit had. Bovendien stelde hij uit eigen beweging voor om een leeg tabakspakje te nemen waarin hij de substantie kon overhandigen. Deze verklaringen en gedragingen wijzen erop dat klager zich bewust was van de situatie.

De directie kon naar het oordeel van de klachtencommissie in voorliggend dossier inderdaad besluiten dat klager toerekeningsvatbaar was op het moment van de feiten.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie 30 dagen ATV.

De tuchtsanctie was dus wettig en de klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.

De klacht is bijgevolg ongegrond.