KC21/26-0094
Non fondée
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewijs van de feiten gebaseerd op het RAD. Ter tuchtzitting erkent klager dat de aangetroffen substantie hasj betrof en dat dit voor eigen gebruik was. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De advocaat voert aan dat er geen advies van een psychiater werd gevraagd. De klachtencommissie wijst erop dat de directie niet verplicht is om voorafgaandelijk advies aan de psychiater te vragen, tenzij de directie over onvoldoende gegevens zou beschikken om de beoordeling inzake de toerekenbaarheid te maken (Communicatie DG EPI van 2 december 2022 “Tuchtprocedure geïnterneerden na arrest Raad van State”, waar de advocaat zelf ook naar verwijst). In het voorliggend dossier was dit volgens de klachtencommissie niet het geval en kon de directie voortgaan op de stukken uit het administratief dossier. De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar het gegeven dat uit het RAD blijkt dat klager zich wel degelijk bewust was van het voorgeschreven verbod. De klachtencommissie oordeelt dat de directie in haar motivering terecht verwijst naar het gedrag van klager op het ogenblik van de feiten. De conclusie die de directie getrokken heeft omtrent de toerekenbaarheid van de feiten gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. Hetgeen de directie zegt, vindt ondersteuning in het eigenlijke RAD. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewijs van de feiten gebaseerd op het RAD. Ter tuchtzitting erkent klager dat de aangetroffen substantie hasj betrof en dat dit voor eigen gebruik was. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De advocaat voert aan dat er geen advies van een psychiater werd gevraagd. De klachtencommissie wijst erop dat de directie niet verplicht is om voorafgaandelijk advies aan de psychiater te vragen, tenzij de directie over onvoldoende gegevens zou beschikken om de beoordeling inzake de toerekenbaarheid te maken (Communicatie DG EPI van 2 december 2022 “Tuchtprocedure geïnterneerden na arrest Raad van State”, waar de advocaat zelf ook naar verwijst). In het voorliggend dossier was dit volgens de klachtencommissie niet het geval en kon de directie voortgaan op de stukken uit het administratief dossier. De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar het gegeven dat uit het RAD blijkt dat klager zich wel degelijk bewust was van het voorgeschreven verbod. De klachtencommissie oordeelt dat de directie in haar motivering terecht verwijst naar het gedrag van klager op het ogenblik van de feiten. De conclusie die de directie getrokken heeft omtrent de toerekenbaarheid van de feiten gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. Hetgeen de directie zegt, vindt ondersteuning in het eigenlijke RAD. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.