KC21/26-0065
Irrecevable
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BRIEFWISSELING
Klager beklaagt zich over de lange verzendtijd van een gewone brief. Aangezien de Basiswet een tussenkomst van de directeur voorziet in het verzenden van brieven, meent de klachtencommissie dat er sprake kan zijn van een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet. Wanneer de directie verweten wordt niet aan haar verantwoordelijkheid voldaan te hebben kan er dan ook sprake zijn van een verzuim om een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. In het voorliggend dossier is het volgens de klachtencommissie zeer aannemelijk dat de lange verzendtijd van de gewone brief inderdaad te wijten is aan Bpost. Er vonden immers grootschalige stakingen en blokkades plaats van eind maart 2026 tot begin mei 2026, waardoor er aanzienlijke vertragingen optraden in de postbedeling. De klachtencommissie acht het niet aannemelijk gemaakt dat de directie in het voorliggend dossier verzuimd zou hebben het nodige te doen. De klachtencommissie kan dan ook niet besluiten tot een verzuim in hoofde van de directie in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over de lange verzendtijd van een aangetekende brief. In het geval van klager werd de afspraak gemaakt dat een bepaalde directrice zou instaan voor de aangetekende zendingen die hij wil doen, waarbij zij er zich persoonlijk van zou vergewissen dat hij telkens de bewijsstukken van de verzending zou ontvangen. Deze informatie weet de klachtencommissie uit dossier KC21/26-0015 van klager. Zoals de klachtencommissie al in haar beslissing in dat dossier verduidelijkte, zorgt het aangetekend verzenden van een brief niet voor een snellere bezorging ervan. In het voorliggende dossier werd de brief op 26 maart 2026 door klager afgegeven. Op 3 april 2026 was ze nog niet aangekomen, maar op 9 april 2026 was dit wel al het geval. De grootschalige staking bij Bpost in aanmerking genomen, kwam de brief relatief snel ter plaatse. De klachtencommissie wijst er daarnaast op dat de regeling inzake het ontvangen van het bewijsje van verzending een gunstregeling betreft en geen door de Basiswet of het huishoudelijk reglement gegarandeerd recht van klager. Er is volgens de klachtencommissie voor wat betreft de aangetekende zending en het niet ontvangen van een bewijsje dan ook geen sprake van een verzuim in hoofde van de directie in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over de lange verzendtijd van een gewone brief. Aangezien de Basiswet een tussenkomst van de directeur voorziet in het verzenden van brieven, meent de klachtencommissie dat er sprake kan zijn van een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet. Wanneer de directie verweten wordt niet aan haar verantwoordelijkheid voldaan te hebben kan er dan ook sprake zijn van een verzuim om een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. In het voorliggend dossier is het volgens de klachtencommissie zeer aannemelijk dat de lange verzendtijd van de gewone brief inderdaad te wijten is aan Bpost. Er vonden immers grootschalige stakingen en blokkades plaats van eind maart 2026 tot begin mei 2026, waardoor er aanzienlijke vertragingen optraden in de postbedeling. De klachtencommissie acht het niet aannemelijk gemaakt dat de directie in het voorliggend dossier verzuimd zou hebben het nodige te doen. De klachtencommissie kan dan ook niet besluiten tot een verzuim in hoofde van de directie in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over de lange verzendtijd van een aangetekende brief. In het geval van klager werd de afspraak gemaakt dat een bepaalde directrice zou instaan voor de aangetekende zendingen die hij wil doen, waarbij zij er zich persoonlijk van zou vergewissen dat hij telkens de bewijsstukken van de verzending zou ontvangen. Deze informatie weet de klachtencommissie uit dossier KC21/26-0015 van klager. Zoals de klachtencommissie al in haar beslissing in dat dossier verduidelijkte, zorgt het aangetekend verzenden van een brief niet voor een snellere bezorging ervan. In het voorliggende dossier werd de brief op 26 maart 2026 door klager afgegeven. Op 3 april 2026 was ze nog niet aangekomen, maar op 9 april 2026 was dit wel al het geval. De grootschalige staking bij Bpost in aanmerking genomen, kwam de brief relatief snel ter plaatse. De klachtencommissie wijst er daarnaast op dat de regeling inzake het ontvangen van het bewijsje van verzending een gunstregeling betreft en geen door de Basiswet of het huishoudelijk reglement gegarandeerd recht van klager. Er is volgens de klachtencommissie voor wat betreft de aangetekende zending en het niet ontvangen van een bewijsje dan ook geen sprake van een verzuim in hoofde van de directie in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.