Ga verder naar de inhoud

KC21/26-0009

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD (waarin duidelijk de vondst van “een in zilverpapier en plastiekfolie verpakte verboden substantie” wordt omschreven). De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct, maar vindt een passage uit de motivering verwarrend. De klachtencommissie kan de directie bijtreden in zoverre haar conclusie was dat ze klager schuldig achtte aan het bezit van drugs omdat er een gebruikershoeveelheid werd aangetroffen onder een losliggend deksel van de koelkast. Dat ze klager schuldig zou achten aan (drugs)handel (als in, hij gebruikt niet (louter) maar verhandelt drugs uit winstbejag) op basis van het aantreffen van een gebruikershoeveelheid onder een losliggend deksel van de koelkast, vindt ze daarentegen geen logische conclusie. De klachtencommissie stelt in elk geval vast dat het in beide interpretaties gaat om de tuchtinbreuk van artikel 129, 7° Basiswet. Volgens de klachtencommissie was er sprake van het bezit van drugs en heeft de directie dit aspect ook afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten door te verwijzen naar de volgende elementen:
(1) Klager zijn heldere manier van communiceren tijdens de hoorzitting. Hij lijkt goed te beseffen wat en wanneer er fout liep. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager en zijn toestand op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet dienstig.

(2) Zowel op het moment van de feiten als tijdens de tuchtzitting ontkent hij de feiten volledig. Zo toont hij duidelijk aan te weten wat te zeggen om mogelijke tuchtsancties te ontlopen of om vermindering te krijgen. Hij is zich dus wel degelijk bewust van wat wel en niet kan en ook van zijn eigen verslavingsproblematiek waarvoor hij in begeleiding is. In verband met de verwijzing naar het moment van de tuchtzitting verwijst de klachtencommissie nogmaals naar punt (1). Dit element is niet afdoende. De directie verwijst ook naar hetgeen klager op het moment van de feiten verklaart (dat de aangetroffen substantie kak zou zijn die door het personeel werd neergelegd). Ze verbindt hieraan een conclusie over de mate waarin klager zijn gedrag bewust heeft gesteld en de gevolgen ervan probeert te ontlopen. Volgens de klachtencommissie ging de directie bij het trekken van deze conclusie de grenzen van de redelijkheid te buiten.

Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover niets aangaf.