Ga verder naar de inhoud

KC21/26-0005

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - TOEREKENBAARHEID

Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “de opzettelijke aantasting van de orde”.

Met betrekking tot het bewezen zijn van de feiten en de kwalificatie:
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee getuigen van het personeel. Het feit dat klager niet zelf zou zijn begonnen, zoals hij aangeeft in zijn klacht, heeft in casu geen invloed op de bewezenverklaring van de feiten. Klager had immers anders kunnen reageren op het gedrag van zijn medegedetineerde, zonder zelf ook op de deur te bonken, te roepen en bedreigingen te uiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de tuchtrechtelijke inbreuk “de opzettelijke aantasting van de orde” uitmaakten. De klachtencommissie heeft echter ondanks twee rappels geen kennis kunnen nemen van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting van klager.

Met betrekking tot de toerekenbaarheid:
De klachtencommissie stelt vast dat klager geïnterneerd is. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid alleen verwijst naar de verklaringen die werden afgelegd tijdens de eigenlijke tuchtzitting. Dit is echter onvoldoende om aan te tonen dat klager op het moment van de feiten voldoende helder van geest was. In de lijn met de eerdere vaste rechtspraak van de klachtencommissie diende de directie de geestesgesteldheid van klager zo kort mogelijk na de feiten te beoordelen, hetgeen onder andere inhoudt dat zij had moeten verwijzen naar de bepalingen in het RAD om haar standpunt te onderbouwen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich immers niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. De klachtencommissie is van oordeel dat de tuchtbeslissing niet naar recht gemotiveerd werd.

Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en beveelt de schrapping ervan uit het tuchtregister