KC21/25-0235
Non fondée
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Autre décision directeur
OVERBEVOLKING
Klager dient klacht in tegen het vijfde bed op zijn cel.
De directie oefent bijgevolg een discretionaire bevoegdheid uit wanneer zij beslist om gedetineerden toe te wijzen aan een cel. Niettemin moet de beslissing van de directie wel conform de internationale en nationale standaarden zijn. In de rechtspraak heeft het EHRM bepaald dat wanneer iemand moet verblijven in een cel met minder dan 3m² persoonlijke ruimte het gebrek aan ruimte alleen al geldt als een ernstig vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM. De gevangenisdirectie kan dat vermoeden weerleggen indien het gaat om een korte periode tijdens dewelke men voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen en als er geen andere elementen zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden. Andere verzwarende omstandigheden in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 3 EVRM zijn een blootstelling aan passief roken, geen degelijke verluchting of geen natuurlijke verlichting, verwarming, de mogelijkheid om het sanitair privé te gebruiken en het al dan niet voldoen aan voorwaarden over hygiëne en sanitair. Voor het berekenen van de persoonlijke ruimte mag de ruimte die de sanitaire voorzieningen innemen niet meetellen voor de totale oppervlakte.
Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt dat de oppervlakte van deze meerpersoonscellen 35 m² bedraagt, waarvan het sanitaire gedeelte ongeveer 1,17 m² uitmaakt. De klachtencommissie stelt vast dat klager op deze 33,83 m² afwisselend met vier à vijf personen in totaal verbleef. In navolging van de rechtspraak van het EHRM hierover, zoals hierboven uiteengezet, stelt de klachtencommissie vast dat het vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM niet van toepassing is, aangezien klager niet in een cel moest verblijven met minder dan 3m² persoonlijke ruimte. De klachtencommissie is van oordeel dat er bijgevolg geen sprake is van een schending van het verbod op onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM.
Gelet op het feit dat de periode dat klager op deze meerpersoonscellen heeft verbleven, beperkt was in tijd en gelet op de verantwoordelijkheid die de directie heeft genomen om ondanks de algemene detentieomstandigheden klager eind december naar een monocel te laten verhuizen, is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing ook niet onredelijk of onbillijk was.
Klager dient klacht in tegen het vijfde bed op zijn cel.
De directie oefent bijgevolg een discretionaire bevoegdheid uit wanneer zij beslist om gedetineerden toe te wijzen aan een cel. Niettemin moet de beslissing van de directie wel conform de internationale en nationale standaarden zijn. In de rechtspraak heeft het EHRM bepaald dat wanneer iemand moet verblijven in een cel met minder dan 3m² persoonlijke ruimte het gebrek aan ruimte alleen al geldt als een ernstig vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM. De gevangenisdirectie kan dat vermoeden weerleggen indien het gaat om een korte periode tijdens dewelke men voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen en als er geen andere elementen zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden. Andere verzwarende omstandigheden in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 3 EVRM zijn een blootstelling aan passief roken, geen degelijke verluchting of geen natuurlijke verlichting, verwarming, de mogelijkheid om het sanitair privé te gebruiken en het al dan niet voldoen aan voorwaarden over hygiëne en sanitair. Voor het berekenen van de persoonlijke ruimte mag de ruimte die de sanitaire voorzieningen innemen niet meetellen voor de totale oppervlakte.
Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt dat de oppervlakte van deze meerpersoonscellen 35 m² bedraagt, waarvan het sanitaire gedeelte ongeveer 1,17 m² uitmaakt. De klachtencommissie stelt vast dat klager op deze 33,83 m² afwisselend met vier à vijf personen in totaal verbleef. In navolging van de rechtspraak van het EHRM hierover, zoals hierboven uiteengezet, stelt de klachtencommissie vast dat het vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM niet van toepassing is, aangezien klager niet in een cel moest verblijven met minder dan 3m² persoonlijke ruimte. De klachtencommissie is van oordeel dat er bijgevolg geen sprake is van een schending van het verbod op onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM.
Gelet op het feit dat de periode dat klager op deze meerpersoonscellen heeft verbleven, beperkt was in tijd en gelet op de verantwoordelijkheid die de directie heeft genomen om ondanks de algemene detentieomstandigheden klager eind december naar een monocel te laten verhuizen, is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing ook niet onredelijk of onbillijk was.