Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0220

Non fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - SANCTIE

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD van 1 december 2025. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct nu klager zich inderdaad niet hield aan de gedragsregels die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. Hij verliet zijn kamer zonder toestemming van de beambte, schold de beambte uit en bonkte hard op de deur. De klachtencommissie meent dat deze kwalificatie ook afdoende gemotiveerd werd.

De directie kwalificeerde de feiten daarnaast als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct aangezien klager meermaals het woord “kehba” gebruikte, hetgeen straattaal is voor “hoer”. De kwalificatie werd afdoende gemotiveerd.

De directie kwalificeerde de feiten tot slot als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd aangezien de directie aanhaalt dat klager meerdere bevelen niet opvolgde, zoals het terugkeren naar zijn kamer nadat hij die zonder toestemming verlaten had en het ophouden met bonken.

De directie motiveerde dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten door ten eerste te verwijzen naar elementen uit het RAD waaruit blijkt dat klager helder en bewust was. Ten tweede zegt ze dat klager de feiten op de tuchthoorzitting gedeeltelijk ontkent. De directie vindt dat dat een bewuste handeling lijkt te zijn om een straf te kunnen ontlopen. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het moment van de tuchtzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Het tweede element is dan ook niet afdoende. Het eerste element handelt daarentegen wel over het gedrag van klager op het ogenblik van de feiten, en de conclusie die de directie daaraan verbindt over de mate waarin hij dit gedrag bewust heeft gesteld. Volgens de klachtencommissie ging de directie bij het trekken van deze conclusie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten en werd de toerekenbaarheid van de feiten met dit element aldus afdoende gemotiveerd.

Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie en twee inbreuken van de tweede categorie. Hij kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk.

De klacht is ongegrond.