Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0158

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING - SANCTIE

Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 22 augustus 2025 een tuchtsanctie van 7 dagen ATV voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). Klager voert in zijn klacht aan dat hij niet werd opgeroepen voor de tuchtzitting en daardoor zijn verhaal niet kon doen. De klachtencommissie leest in de tuchtbeslissing dat klager zijn “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure” (CB 124 bijlage 3) verscheurde. Bovendien stelt de klachtencommissie vast dat klager ook de “verklaring weigering te worden gehoord” (CB 124 bijlage 7) ondertekende. De klachtencommissie oordeelt dat klager wel degelijk rechtsgeldig werd opgeroepen, maar er zelf voor koos om niet te verschijnen. De klachtencommissie kan op dit punt geen onregelmatigheden vaststellen. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Klager verscheen niet ter tuchtzitting, waardoor er ook geen tegenindicaties aangevoerd werden die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. De klachtencommissie acht de verwijzingen naar een passage uit het huishoudelijk reglement en naar het menswaardig samenlevingsklimaat echter niet correct. Aangezien klager volgens de aankruising niet gesanctioneerd werd voor het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) meent de klachtencommissie dat deze passage van de motivering nodeloos verwarrend is en niet dienstig is ter motivering van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). Ook de verwijzing naar het menswaardig samenlevingsklimaat vindt de klachtencommissie overbodig, nu dit verwijst naar de orde (artikel 2, 7° Basiswet). Dit deel van de motivering doet dan ook denken aan de tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet), waarvoor klager volgens de aankruising evenmin werd gesanctioneerd. De klachtencommissie meent dan ook dat deze passages uit de motivering van de tuchtbeslissing geschrapt dienen te worden. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de motivering gaande van “Het HR (art. 106 BW) schrijft voor dat (…)” tot en met “(…) menswaardig samenleven genoemd worden.” De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 1° Basiswet en artikel 129, 2° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 7 dagen ATV.