Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0130

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven hoe klager de bovenarm van de beambte vastnam en haar aan de kant duwde. Nadien beledigde hij haar. Ter tuchtzitting nuanceert klager het RAD en vergoelijkt zijn gedrag door te verwijzen naar zijn ochtendhumeur. Hij stelt dat hij zijn vingertoppen op de schouder van de beambte legde om duidelijk te maken dat hij moest passeren. Hij betwist dat hij haar duwde. Klager tilt niet zwaar aan zijn gebruik van het woord “kakmadam” en vindt dat de beambte niet zo uit de hoogte moet doen. De beambte zou klager nadien nog opgezocht hebben voor een gesprek, waarop de plooien gladgestreken werden. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de in het RAD beschreven feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie vindt eveneens dat het fysiek aanraken van een beambte om haar uit de weg te laten gaan in de plaats van dit mondeling te vragen uit den boze is. De klachtencommissie acht de kwalificatie in principe dan ook correct. Met betrekking tot de motivering ervan heeft de klachtencommissie de volgende opmerkingen. De verwijzing naar het huishoudelijk reglement vindt de klachtencommissie nodeloos verwarrend, nu er in het voorliggend dossier geen sprake is van een inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De vermelding in de motivering dat klager beledigingen zou hebben geuit is evenmin dienstig, nu klager blijkens de aankruising niet gesanctioneerd werd voor de inbreuk van het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet).

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De directie motiveert als volgt:
(1) “(Klager) was op het ogenblik van de feiten aan het werk in een vertrouwensfunctie en voert deze functie reeds langere tijd naar behoren uit. Zijn algemeen gedrag en houding, alsook het uitoefenen van een vertrouwensfunctie geven aan dat eenvoudige samenlevingsregels geregistreerd worden. Zo kunnen we opmerken dat een laatste RAD dateert van 15/10/2024 waarbij hijzelf slachtoffer was en dus geen tuchtrechtelijk gevolg kende.” De klachtencommissie merkt op dat er niet verwezen kan worden naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. In geval van een geïnterneerde is de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dat klager eenvoudige samenlevingsregels ‘registreert’, zoals de directie het uitdrukt, en dat hij dus weet dat een bepaalde gedraging een inbreuk uitmaakt, sluit daarenboven nog niet uit dat hij zijn gedrag onvoldoende onder controle kan hebben om zich er ook van te onthouden. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) “(Klager) communiceert helder tijden de hoorzitting. Hij lijkt goed te beseffen wat en wanneer er fout liep [sic]. Hij kan vertellen wat er gebeurd is, waarom hij dat deed en waarom hij ervoor koos de door hem gekende regels te overtreden.” De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat klager nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niets over zijn toestand op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
Bovendien strookt hetgeen de directie zegt ook niet met de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De directie stelt dat klager vertelt “waarom hij ervoor koos de door hem gekende regels te overtreden”. Klager is net van mening dat hij niets misdaan heeft en dat zijn handelen zeer onschuldig was. De klachtencommissie wijst er tot slot op dat de directie voorbijging aan vermeldingen in het RAD die net twijfel zaaien omtrent de toerekenbaarheid van de feiten aan klager. Zo wordt er genoteerd dat klager meermaals onverstaanbaar in zichzelf mompelde. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet dan niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.