Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0097

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de hierin opgenomen feiten bewezen achtte. De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing echter gebrekkig op twee punten.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie niet afdoende gemotiveerd. In de motivering van de tuchtbeslissing wordt namelijk gezegd: “Meer bepaald: luid bonken op de deur. Door zijn gedrag werd een vorm van wanorde gecreëerd die ervoor zorgde dat de normale, dagelijkse werking verstoord werd.” De klachtencommissie meent dat deze motivering theoretisch gezien beter aansluit bij de tuchtinbreuk van het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten in de gevangenis verstoort (artikel 130, 7° Basiswet), een inbreuk van de tweede categorie. De klachtencommissie leest in het RAD echter niet dat de normale, dagelijkse werking verstoord werd. Beter was dan ook geweest om het gedrag van klager te kwalificeren als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet) nu er zowel in het RAD van 9 juni 2025 als in het RAD van 10 juni 2025 verschillende malen wordt gesproken over verwittigingen en verzoeken aan het adres van klager.

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. In het voorliggend dossier stelt de directie dat ze de feiten toerekenbaar acht omdat uit het RAD blijkt dat klager zich bewust is van de voorgeschreven regels. Dit zou vooral blijken uit de onmiddellijke ontkenning die hij wil overbrengen aan de beambte, alsook de sanctie die hij recent kreeg omwille van gelijkaardige feiten. De klachtencommissie wijst er op dat het gegeven dat klager weet dat een bepaalde gedraging een inbreuk uitmaakt, nog niet uitsluit dat hij zijn gedrag onvoldoende onder controle heeft om zich er ook van te onthouden. Het louter weten dat een bepaald gedrag niet mag, wil nog niet zeggen dat klager er bewust voor kiest om het gedrag toch te stellen. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.