TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID
De klacht betreft de tuchtbeslissing die werd genomen door de directie van de gevangenis van Merksplas. Klager werd op 24/03/2025 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel, een tuchtinbreuk van de tweede categorie. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Het RAD werd bovendien ondertekend door twee getuigen. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Ook tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager niet dat hij tijdens de gsm-inzage in zijn foto- en videoalbum zou hebben gekeken. Hij zegt enkel meteen te zijn gestopt wanneer de PBA hem dat heeft gevraagd. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Aangezien klager geïnterneerd is, moet de directeur in de motivering elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.
In het voorliggend dossier verwijst de directie naar het dagelijks functioneren van klager en zijn gedrag tijdens de hoorzitting. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Om die redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 24/03/2025 en draagt de directie op deze te verwijderen uit het tuchtregister van klager. De klachtencommissie kent verder geen tegemoetkoming toe.
De klacht betreft de tuchtbeslissing die werd genomen door de directie van de gevangenis van Merksplas. Klager werd op 24/03/2025 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel, een tuchtinbreuk van de tweede categorie. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Het RAD werd bovendien ondertekend door twee getuigen. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Ook tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager niet dat hij tijdens de gsm-inzage in zijn foto- en videoalbum zou hebben gekeken. Hij zegt enkel meteen te zijn gestopt wanneer de PBA hem dat heeft gevraagd. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Aangezien klager geïnterneerd is, moet de directeur in de motivering elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.
In het voorliggend dossier verwijst de directie naar het dagelijks functioneren van klager en zijn gedrag tijdens de hoorzitting. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Om die redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 24/03/2025 en draagt de directie op deze te verwijderen uit het tuchtregister van klager. De klachtencommissie kent verder geen tegemoetkoming toe.