Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0147

Fondée Compensation KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven hoe klager meermaals weigert om zijn bestek af te geven, waarop de beambte zelf de cel betreedt om het bestek te verzamelen. Klager uit ter gelegenheid hiervan zijn klachten over het gedrag van de beambten bij de etensbedeling. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de hierin opgenomen feiten (weigeren van het bevel om het bestek af te geven) bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar het relaas van de feiten waaruit volgens de directie opgemaakt kan worden dat klager bewust handelde om een ander doel te bereiken. Waarop dit relaas precies terugslaat (het rapport aan de directeur dan wel de mondelinge en/of schriftelijke verklaringen ter tuchtzitting) is niet duidelijk op basis van de motivering van de tuchtbeslissing. De klachtencommissie stelt in elk geval vast dat deze vermoedelijke beweegreden enkel blijkt uit de mondelinge en schriftelijke verklaringen van klager ter tuchtzitting (die hij ook herneemt in zijn klacht). Uit het RAD blijkt daarentegen niet duidelijk dat het negeren van het bevel gepaard ging met de vraag om de KO te mogen spreken. Volgens de klachtencommissie baseerde de directie zich dan ook niet op de vaststellingen uit het RAD, maar op nadien aangeleverde verklaringen. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietig. Klager krijgt een tegemoetkoming van 60 belminuten.