KC21/24-0145
Fondée
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Autre décision directeur
REKENINGEN
Klager beklaagt zich over een vermeende onterechte afhouding van een bedrag van zijn rekening.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie, bij gebrek aan specifieke regeling voor de situatie van terugvordering van een onverschuldigde betaling, naar eigen goeddunken een systeem heeft gehanteerd dat geïnspireerd werd op artikel 104/1 Basiswet. De afhouding in het voorliggend dossier gebeurde eveneens automatisch maar gebeurde gelet op de frequentie ervan wellicht niet (enkel) op inkomsten uit penitentiaire arbeid maar ook op bedragen die klager van derden ontving. Daarnaast werd de afhouding wel telkens begrensd tot 40% van het inkomende bedrag. Aangezien de wetgever in artikel 104/1 van de Basiswet een zeer specifieke uitzondering formuleerde op het principe van de schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming van de gedetineerde, is de klachtencommissie van oordeel dat een automatische afhouding met een andere finaliteit (lees: ter terugbetaling van een onverschuldigd bedrag) onwettig is.
Hoewel de klachtencommissie uiteraard niet betwist dat de directie het onverschuldigde bedrag kon terugvorderen, had men dit in het voorliggend dossier moeten aanpakken met een afbetalingsplan dat in onderling overleg werd opgesteld, waarbij er met schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming bepaalde bedragen van de rekening van klager ingehouden konden worden. De directie of de rekendienst namens haar had volgens de klachtencommissie niet eenzijdig tot een automatische afhouding mogen beslissen, nu de situatie niet voldeed aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 104/1 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.
De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158, §3, 2° Basiswet). Gelet op het gegeven dat de terugvordering van de onverschuldigde betaling op zichzelf terecht was maar de directie enkel op onwettige wijze tewerkging, meent de klachtencommissie dat het weinig zinvol is de afhoudingen, ondanks de vernietiging van de beslissing, terug te draaien. De afhoudingen kunnen dan ook blijven bestaan, nu klager ze uiteindelijk toch zal moeten betalen. De duidelijke toelichting die klager via het verweer van de directie in het kader van de klachtenprocedure ontving, volstaat volgens de klachtencommissie om tegemoet te komen aan de gevolgen van de onwettige beslissing (lees: handelswijze inzake de terugvordering) van de directie.
Klager beklaagt zich over een vermeende onterechte afhouding van een bedrag van zijn rekening.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie, bij gebrek aan specifieke regeling voor de situatie van terugvordering van een onverschuldigde betaling, naar eigen goeddunken een systeem heeft gehanteerd dat geïnspireerd werd op artikel 104/1 Basiswet. De afhouding in het voorliggend dossier gebeurde eveneens automatisch maar gebeurde gelet op de frequentie ervan wellicht niet (enkel) op inkomsten uit penitentiaire arbeid maar ook op bedragen die klager van derden ontving. Daarnaast werd de afhouding wel telkens begrensd tot 40% van het inkomende bedrag. Aangezien de wetgever in artikel 104/1 van de Basiswet een zeer specifieke uitzondering formuleerde op het principe van de schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming van de gedetineerde, is de klachtencommissie van oordeel dat een automatische afhouding met een andere finaliteit (lees: ter terugbetaling van een onverschuldigd bedrag) onwettig is.
Hoewel de klachtencommissie uiteraard niet betwist dat de directie het onverschuldigde bedrag kon terugvorderen, had men dit in het voorliggend dossier moeten aanpakken met een afbetalingsplan dat in onderling overleg werd opgesteld, waarbij er met schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming bepaalde bedragen van de rekening van klager ingehouden konden worden. De directie of de rekendienst namens haar had volgens de klachtencommissie niet eenzijdig tot een automatische afhouding mogen beslissen, nu de situatie niet voldeed aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 104/1 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.
De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158, §3, 2° Basiswet). Gelet op het gegeven dat de terugvordering van de onverschuldigde betaling op zichzelf terecht was maar de directie enkel op onwettige wijze tewerkging, meent de klachtencommissie dat het weinig zinvol is de afhoudingen, ondanks de vernietiging van de beslissing, terug te draaien. De afhoudingen kunnen dan ook blijven bestaan, nu klager ze uiteindelijk toch zal moeten betalen. De duidelijke toelichting die klager via het verweer van de directie in het kader van de klachtenprocedure ontving, volstaat volgens de klachtencommissie om tegemoet te komen aan de gevolgen van de onwettige beslissing (lees: handelswijze inzake de terugvordering) van de directie.